Kies uw kerk

Preek van de week

2016-07-24. Solidariteit en mededogen.

17de zondag door het jaar, C

 

Eerste lezing: Genesis 18, 20-32

Evangelie: Lucas 11, 1-13

Dat betekent, met de ander samen zijn in het lijden, delen in de zorg die de ander heeft, je verbonden weten met de ander die gewond is. Deze verbondenheid vraagt dat we zelf ook kwetsbaar durven zijn. Wie mee wil lijden zegt: “Ik ben je broer, ik ben je zus, ik ben ook een mens, kwetsbaar, sterfelijk, net als jij. Dat wat jou is overkomen, kan ook mij overkomen. Ik erger me niet aan je tranen, ik loop niet weg voor de pijn die je hebt. Ik heb zelf ook gehuild, en zelf ook pijn gevoeld’. We kunnen de ander alleen nabij zijn, als de ander niet langer ‘anders’ is, maar juist aan ons gelijk wordt.

Dat is misschien de diepste redden die Abraham vandaag bewoog in de eerste lezing om te pleiten voor de rechtvaardigen in de stad Sodom. Stel dat hij daar zelf had gewoond, als een rechtvaardige en niet wist dat God de stad kwam verwoesten? Zou er dan iemand voor hem zijn opgestaan, zou iemand voor hem recht hebben gepleit? Abraham zorgde met zijn opstelling dat hij daadwerkelijk in zijn mededogen, solidair werd met mensen in die stad.

De leerlingen vragen in het evangelie Jezus naar het gebed. Zij willen net als Jezus zelf, in contact komen met God. Ze willen met God in gesprek gaan, Hem nabij weten. Jezus leert hen een gebed dat bij ons bekend is als het Onze Vader. Een gebed dat de verschillende momenten en noden in ons leven uitdrukt in woorden.

Maar Jezus zegt er meteen iets achteraan. Het bidden mag niet bij woorden ophouden. Het bidden moet tot in de praktijk van elke dag voelbaar, zichtbaar, ervaarbaar worden. Bid en werk! Zo laat Jezus aan de hand van de verschillende vrienden die aan je deur kunnen komen, zien hoe mededogen in de praktijk uitwerkt. Mededogen is naast de ander gaan staan, je solidair verklaren met degene die aan je deur klopt. Dit is meer dan even geven waar de ander om vraagt.

In nogal wat situaties zijn wij dit kwijt. We lijken veel meer op mensen uit het eerste gedeelte van het volgende voorbeeld:


Een schip ging ten onder. De schipbreukelingen wisten dat ze niet in staat waren iets goeds voor anderen te doen zolang ze in het water lagen tussen de wrakstukken. Als ze eenmaal voet aan wal kregen, werd de zaak anders. Dan waren ze niet alleen in staat, maar hadden ze ook de plicht de wereld in veiligheid te brengen.

We denken vaak schipbreukelingen te blijven in ons leven. Maar als we eenmaal gered zijn, hebben ook wij de opdracht anderen te redden. Het goede dat aan mij gedaan is, mag ik weer doorgeven door solidariteit en mededogen.

 

Amen

Eerste lezing: Genesis 18, 20-32

Abrahams voorbede
De Heer zei tegen Abraham: ‘Luid stijgt de roep om wraak uit Sodom en Gomorra op! Uitermate zwaar is hun zonde! Ik ga naar beneden om te zien of hun daden werkelijk overeenstemmen met de roep die tot Mij is doorgedrongen; Ik wil het weten.’ Toen gingen de twee mannen op weg in de richting van Sodom. De Heer bleef bij Abraham staan. Abraham ging naar Hem toe en zei: ‘Wilt U werkelijk met de boosdoeners ook de rechtvaardigen verdelgen? Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult U die dan verdelgen? Zult U de stad geen vergiffenis schenken omwille van de vijftig rechtvaardigen die er wonen? Zoiets kunt U toch niet doen: de rechtvaardigen samen met de boosdoeners laten sterven! Dan zou het de rechtvaardigen vergaan als de boosdoeners; dat kunt U toch niet doen! Zal Hij, die de hele aarde oordeelt, geen recht doen?’ En de Heer zei: ‘Als Ik in Sodom vijftig rechtvaardigen in de stad vind, zal Ik omwille van hen de hele stad vergiffenis schenken.’ Abraham begon weer en zei: ‘Mag ik zo vrij zijn tot mijn Heer te spreken, ofschoon ik maar stof en as ben? Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf; zult U dan toch om die vijf de hele stad verwoesten?’ En de Heer zei: ‘Ik zal haar niet verwoesten als Ik er vijfenveertig vind.’ Opnieuw sprak Abraham tot Hem: ‘Misschien zijn er maar veertig te vinden.’ En de HEER zei: ‘Ik zal het niet doen, omwille van die veertig.’ Nu zei Abraham: ‘Laat mijn Heer niet kwaad worden als ik nog eens aandring; misschien zijn er maar dertig te vinden.’ En Hij zei: ‘Ik zal het niet doen als Ik er dertig vind.’ Abraham zei opnieuw: ‘Ik ben wel vrijpostig als ik bij mijn Heer blijf aandringen; maar misschien worden er maar twintig gevonden.’ En Hij zei: ‘Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die twintig.’ Abraham zei: ‘Laat mijn Heer niet kwaad worden als ik nog één keer spreek; misschien zijn er maar tien te vinden.’ En Hij zei: ‘Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die tien.’

Evangelie: Lucas 10, 11, 1-13

Jezus leert zijn leerlingen bidden
Eens was Hij ergens aan het bidden. Toen Hij opgehouden was, vroeg een van zijn leerlingen Hem: ‘Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes het zijn leerlingen geleerd heeft.’ Hij zei tegen hen: ‘Wanneer je bidt, zeg dan:
        Vader,
        uw naam worde geheiligd,
        uw koninkrijk kome;
        geef ons elke dag het nodige brood
        en vergeef ons onze zonden,
        want ook wij vergeven ieder die ons iets schuldig is,
        en breng ons niet in beproeving.’

Daarop zei Hij tegen hen: ‘Stel dat je midden in de nacht naar een van je vrienden gaat om te vragen: “Vriend, leen me drie broden, want een vriend van me is na een lange reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten.” Zou die ander daarbinnen antwoorden: “Val me niet lastig. De deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed. Ik kan niet opstaan om ze je te geven”? Welnee, hij staat op en geeft je wat je nodig hebt; is het niet omdat je zijn vriend bent, dan toch vanwege je vrijpostigheid. Ik zeg jullie: vraag en jullie zal gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt, krijgt; wie zoekt, vindt; en voor wie klopt, zal worden opengedaan. Welke vader onder jullie zal zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats daarvan een slang geven? Of een schorpioen, als het om een ei vraagt? Als jullie dus, slecht als je bent, het goede weten te geven aan je kinderen, hoeveel te meer zal dan de hemelse Vader de heilige Geest geven aan degenen die Hem erom vragen.’

Archief preken