Kies uw kerk

Preek van de week

2017-03-26. Waar komt het licht vandaan?

Verhaal 4de zondag in de veertigdagentijd 2017, A

 

Eerste lezing: 1ste boek Samuël 16, 1b. 6-7. 10-13a

Evangelie: Johannes 9, 1-41


Aangezien op deze zondag de Beste communicanten 2017 zich hebben voorgesteld, is er voor deze viering geen Preek. Voor deze zondag een verhaal dat ook gebruikt is in de gebedswake van maandag 20 maart 2017. Ook een twee impressie foto´s van de dienst.
 

Waar komt het licht vandaan?

Toen ze aankwamen vroegen ze het. Ze zeiden: “Vrouw van de tuin, waar komt het licht vandaan?” En de vrouw keek naar hen, en er kwam licht in haar gezicht en in haar ogen. Ze zei: “kom maar mee”. Ze nam de kinderen, een jongen en een meisje, mee naar de tuin, onder een grote boom. Toen zei ze: “zit stil en wacht”. En ze ging weg. Je hoorde haar voetstappen over het pad tot het helemaal stil werd.

De kinderen zaten onder de boom en wachten. “Het is stil”, zei het jongetje. “Ssssst” zei het meisje, “er gebeurt iets, maar ik weet niet wat en ook niet waar”. En ineens stond ze op en liep de tuin in. De jongen zag haar gaan en bleef op de bank zitten, maar hij keek heel goed wat ze deed. En ze liep door naar een ranke berkenboom in de hoek van de tuin. Hij zag dat haar ogen omhoog gingen tot boven de berkenboom.
Het meisje stond heel stil. Toen draaide ze zich om en wenkte de jongen. Hij kwam en ze zei: “Er is een groot wonderlijk licht, ik weet niet hoe en niet waarvandaan”. Met dat ze dat zei kwam de vrouw terug uit haar huis met blijde ogen en met iets in haar hand.

“Jullie staan bij de berkenboom”, zei ze, “dat is een heel goede plaats”. En zei ze: “kijk maar, hij is licht en witter dan alle andere bomen. De wortels zijn strijd en zijn takken zijn liefde”.

Na enige tijd vroeg de jongen: “Vrouw van de tuin, waar komt dat licht vandaan?” Ze glimlachte en plukte een tak van de berkenboom, gaf die aan de jongen en zei: “Je bent een zoeker naar het licht, zoek maar”. De tak bewoog licht in de wind. En zo gingen die twee waar de tak hen wees. Het meisje bleef achter en stond heel stil onder de boom en er was zoveel licht dat ze niet meer vroeg.

Johannes 9, 1-41

Johannes 9, 1-41

De wind wees de tak verder en verder. Tot de jongen stil bleef staan en zei: “De tak wijst niet mee”. “Dan moeten we stilstaan”, zei de vrouw en dat deden ze. En terwijl ze daar stonden deed de vrouw haar hand open. Daarin lag een donkere steen, maar daar was licht in, het licht was diep in de steen verborgen, geheimzinnig en ver. De vrouw zei: “neem de steen en bewaar hem goed, en als het donder wordt kijk er dan naar, want het licht komt uit de steen en niemand weet hoe het erin komt”.

Cummunicanten

Cummunicanten

Familie en aanwezigen

Familie en aanwezigen

Afbeelding: Christus geneest de blinde

        Door: El Greco (1541 – 1614)

Afmetingen: 65,5 × 84 cm

Techniek: olieverf op paneel

Datum: ca. 1567

Te bezichtigen in: Staatliche Kunstsammlungen Dresden

1ste boek Samuël 16, 1b. 6-7. 10-13a

        David tot koning gezalfd
In die dagen zei de Heer tot Samuël: “Vul een hoorn met olie: Ik zend u naar Isaï, de Betlehemiet, want één van zijn zonen heb ik voor het koningschap bestemd.”
Toen zij aankwamen viel zijn blik meteen op Eliab, en hij zei bij zichzelf: Hij die daar klaarstaat is vast en zeker degene die de Heer wil zalven. Maar de Heer zei tegen Samuël: ‘Ga niet af op zijn voorkomen en zijn rijzige gestalte. Ik heb hem afgewezen. Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer kijkt naar het hart.’
Zo stelde Isaï zijn zeven zonen aan Samuël voor, maar telkens zei Samuël dat dit niet degene was die de Heer gekozen had. ‘Zijn dit alle zonen die u heeft?’ vroeg hij. ‘Nee,’ antwoordde Isaï, ‘de jongste is er niet bij, die hoedt de schapen en de geiten.’ Toen zei Samuël tegen Isaï: ‘Laat hem hier komen. We beginnen niet aan de maaltijd voordat hij er is.’ Isaï liet hem halen. Het was een knappe jongen met rossig haar en sprekende ogen. En de Heer zei: ‘Hem moet je zalven. Hij is het.’ Samuël nam dus de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Sedert die dag was de geest van de Heer vaardig over David.

Johannes 9, 1-41

        Genezing van een blindgeborene
Bij het naar buiten gaan zag Hij een man die al vanaf zijn geboorte blind was. Zijn leerlingen vroegen Hem: ‘Rabbi, waarom is hij blind geboren? Heeft hij dat te wijten aan zijn eigen zonde of aan die van zijn ouders?’ Jezus antwoordde: ‘Niet aan zijn eigen zonde, en evenmin aan die van zijn ouders. Nee, de daden van God moeten in hem openbaar worden. We moeten de daden van Hem die Mij gezonden heeft, verrichten zolang het dag is; de nacht komt, en dan kan men niet werken. Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld.’ Na deze woorden spuwde Hij op de grond, maakte wat slijk van zand en speeksel en streek dat op de ogen van de blinde. Daarna zei Hij tegen hem: ‘Vooruit, ga u wassen in het Siloambad.’ (Siloam wil zeggen: gezondene.) De man ging ernaartoe, waste zich en kwam ziende terug. Zijn buren en degenen die hem voordien vaak hadden gezien – hij was namelijk een bedelaar – zeiden: ‘Is dat niet de man die altijd zat te bedelen?’ ‘Inderdaad’, zeiden sommigen. ‘Welnee,’ zeiden anderen, ‘maar hij lijkt er wel op.’ Maar hijzelf zei: ‘Toch wel, ik ben het.’ ‘Maar wat is er dan met je ogen gebeurd, dat je nu ineens kunt zien?’ vroegen ze. Hij antwoordde: ‘Een zekere Jezus maakte wat slijk en streek dat op mijn ogen. Toen zei Hij: “Ga nu naar de Siloam om u te wassen.” Ik ben dus gegaan, en toen ik mij gewassen had, kon ik zien.’ ‘Waar is die man?’ vroegen ze. ‘Dat weet ik niet’, zei hij. Ze brachten de man die blind geweest was bij de farizeeën. Nu was de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen had geopend, een sabbat. Daarom stelden ook de farizeeën hem de vraag hoe het kwam dat hij nu kon zien. Hij antwoordde: ‘Hij deed wat slijk op mijn ogen, ik heb me gewassen en nu zie ik.’ ‘Zo iemand komt niet van God,’ oordeelden sommige farizeeën, ‘want Hij houdt de sabbat niet.’ Anderen merkten op: ‘Maar hoe zou een zondaar zulke tekenen kunnen verrichten?’ Kortom, er was verdeeldheid onder hen. Ze richtten zich toen opnieuw tot de blinde: ‘Wat denk jij ervan? Hij heeft toch je ogen geopend!’ ‘Dat Hij een profeet is’, antwoordde hij. De Joden wilden niet geloven dat de man die nu kon zien ooit blind was geweest, zolang ze zijn ouders er niet bij geroepen hadden en hun de vraag hadden gesteld: ‘Is dit wel degelijk die zoon van u die volgens uw zeggen blind geboren is? Hoe komt het dan dat hij nu kan zien?’ De ouders antwoordden: ‘We weten dat dit onze zoon is en dat hij blind geboren is. Maar hoe het komt dat hij nu kan zien, dat weten we niet. En wie zijn ogen geopend heeft, dat weten we evenmin. Dat kunt u beter aan hem vragen: hij is oud genoeg, hij kan zelf zijn woord wel doen.’ Zijn ouders spraken zo omdat ze bang waren voor de Joden. Want die hadden ondertussen besloten dat iedereen die Jezus als de Messias erkende, uit de synagoge verbannen zou worden. Dat was de reden waarom zijn ouders zeiden: ‘Hij is oud genoeg, vraag het maar aan hem.’ Toen riepen ze de man die blind was geweest voor een tweede verhoor bij zich: ‘Wees nu eens eerlijk voor God! We weten dat die man een zondaar is.’ Maar hij antwoordde: ‘Of Hij een zondaar is, daar weet ik niets van. Wat ik wel weet, is dat ik eerst blind was en nu kan zien.’ ‘Wat heeft Hij met je gedaan?’ vroegen ze. ‘Hoe heeft Hij je ogen geopend?’ ‘Dat heb ik toch al verteld,’ antwoordde hij, ‘maar u hebt niet geluisterd. Waarom wilt u het nog eens horen? Wilt u soms ook leerlingen van Hem worden?’ Toen werden ze grof en zeiden: ‘Jij bent een leerling van Hem, wij zijn leerlingen van Mozes. Wij weten dat God heeft gesproken tot Mozes; maar waar Hij vandaan komt, daar weten we niets van.’ Hierop gaf de man ten antwoord: ‘Maar is dat nu juist niet merkwaardig, dat mensen als u niet weten waar Hij vandaan komt? En Hij heeft mij nog wel de ogen geopend. Naar zondaars luistert God niet, dat weet toch iedereen. Maar naar iemand die ontzag voor Hem heeft en zijn wil doet, naar zo iemand luistert Hij. Nog nooit heeft men gehoord dat een mens de ogen heeft geopend van iemand die als blinde geboren was. Als die man niet van God kwam, had Hij dat nooit gekund.’ Toen voeren ze tegen hem uit: ‘Wat? Jij die vanaf je geboorte een en al zonde bent, jij wilt ons de les lezen?’ En ze gooiden hem eruit. Jezus hoorde dat ze hem eruit gegooid hadden, en toen Hij hem teruggevonden had, zei Hij: ‘Gelooft u in de Mensenzoon?’ Hij antwoordde: ‘Wie is dat, Heer? Dan zal ik in Hem geloven.’ Toen zei Jezus: ‘U hebt Hem ontmoet: het is degene die met u spreekt.’ ‘Heer, ik geloof’, zei hij, en hij wierp zich voor Hem neer.

De herder en zijn schapen
Daarop zei Jezus: ‘Een duidelijke scheiding ben Ik in deze wereld komen brengen: de niet-zienden zullen zien, en de zienden zullen blind worden.’ Enkele farizeeën in de buurt hadden dit gehoord en vroegen: ‘Zijn wij soms ook blind?’ Jezus antwoordde: ‘Was u maar blind! Dan zou u zonder zonde zijn. Maar u beweert dat u ziet. En daarom zit u vast in uw zonde.

Archief preken