Kies uw kerk

Preek van de week

2017-04-16. Getuigen van barmhartigheid

Paaszondag 2017, A

 

Eerste lezing: Handelingen der apostelen 10, 34a. 37-43

Evangelie: Johannes 20, 1-9

 

Vandaag maken wij in het evangelie kennis met drie personen: Maria Magdalena, Simon Petrus en Johannes. Elke persoon staat voor een wijze van omgaan met het sterven en de dood van een geliefde.

Jezus, hun vriend en leraar waarmee ze bijna duizend dagen waren opgetrokken, is terechtgesteld. Nu moet elk van hen proberen deze afschuwelijke dood te verwerken. Elk doet dat op haar of zijn manier. Maria Magdalena spreekt, Petrus zwijgt en Johannes gelooft. Laten we eens met hen bij het lege graf gaan staan.

Maria Magdalena ziet het geopende graf. Snel heeft ze haar conclusie getrokken: ze hebben de Heer uit het graf weggenomen.

Aan het begin van die week had zij Jezus nog bezocht. Ze had een geschenk voor Hem meegenomen. Een klein kruikje met kostbare balsem. Het moet haar een vermogen hebben gekost. Maar ze hield van Jezus, zoals Hij hield van haar. Dan is iets nooit te duur, nooit te kostbaar om te geven, om uit te drukken. Dat het ging om een eenmalig geschenk liet ze blijken door het kruikje te breken. Het kon nooit meer gesloten worden. Heel de inhoud is voor Hem die haar het leven terug gaf. Op die avond, tussen alle feestgangers was zij het die zweeg. Maar nu wilde ze niet meer zwijgen: Jezus leeft, meer dan ooit.

Het is als het geschenk dat we hebben meegenomen naar een zieke die stervende is. We weten niet wat we zeggen moeten, maar het geschenk vervangt alle woorden: “Je bent kostbaar in mijn ogen, meer dan woorden zeggen kunnen”.

Simon Petrus. Hij ziet in het graf de zwachtels en de zweetdoek liggen. Ze zijn beide met zorg opgevouwen en opgerold. Hij is het daarom niet eens met Maria Magdalena. Maar hij zwijgt.
Na alle gebeurtenissen van de afgelopen dagen weet Simon Petrus nog één ding te doen en dat is zwijgen Maar waarom? Voor het antwoord moeten wij een paar dagen terug. Het was donderdag laat in de avond en hij had het in angst uitgeschreeuwd: “Ik ken die man niet”. Een haan kraaide en Jezus had zich omgedraaid. Het waren de laatste woorden die Jezus van Petrus moest horen: “Ik ken je niet”.
Het zijn als de laatste woorden die wij hebben gesproken met iemand die nu overleden is. Wat gezegd is gezegd, je kunt het niet meer uitwissen. Laten we voorzichtig zijn in het spreken, want onze woorden kunnen de laatste zijn die onze dierbaar gehoord heeft. Laat bij het afscheid woorden van liefde weerklinken, of laten we anders doen als Petrus: zwijgen.

Johannes 20, 1-09

Johannes 20, 1-09

Johannes, de door Jezus beminde leerling. Hij ziet hetzelfde als Maria Magdalena en Simon Petrus. Maar hij gelooft.
Als jongste van het stel mocht hij op die bewuste donderdagavond vlak naast Jezus zitten. De belangrijkste plaats voor de kleinste, de minste van het gezelschap. Daar had hij gezien hoe Jezus brood nam, het brak en uitdeelde. “Dit ben Ik voor jou”, had Hij gezegd. Daarna had hij een beker wijn in zijn handen genomen en gezegd: “Dit is mijn bloed voor jou”. Veel had hij er niet van begrepen, maar dat hoefde ook niet, hij was nog jong en zou het wel leren.
Het zijn de jongsten in onze families die opzien naar de ouders, de grootouders. Doen wat zij deden, woorden spreken die zij spraken, worden die zij zijn, is dat niet de wens van de jongste? Dat is toekomst worden, dat is toekomst nu reeds doen.

We hebben ze ontmoet, de getuigen van barmhartigheid: het kostbaarste geven wat je te schenken hebt, zwijgen als je niets meer weet te zeggen, in herinnering doen wat je ouders je hebben voorgedaan.

 

Zalig Pasen.

Afbeelding: San Francesco al Prato Resurrection

        Olieverf op paneel (233 cm × 165 cm) (1499)

door: Pietro Perugino (ca. 1446/1450 – 1523) Italie

Te bewonderen in het: Pinacoteca Vaticana, Rome

Het werk volgt de typische regeling van Perugino's kunst. De goddelijkheid, in het geval de opgestane Jezus wordt afgebeeld in een mandorla geplaatst in het bovenste deel van het schilderij, daarnaast de engelen. Het onderste deel toont, een landschap op de achtergrond, de open sarcofaag en vier Romeinse soldaten, van wie er drie slapen en een gewekt door het wonder.

De figuur van Christus, met het symbool van de opstanding, de vlag, heeft de typische harmonie en zachtheid van de volwassen werken van Perugino, met een gedetailleerdheid van de borst en een lichte draperie met diepe plooien.
De twee engelen bij zijn kanten zijn symmetrisch.

De sarcofaag heeft een goed geschilderde deksel volgens geometrische perspectief. De soldaten zijn ook geschilderd met aandacht voor details, zie hiervoor de grillige kam van de soldatenhelm linksonder.

Handelingen van de apostelen 10, 34a. 37-43

        Petrus bij Cornelius in Caesarea
Petrus opende zijn mond en zei:
’U weet wat er gebeurd is in heel het Joodse land, het eerst in Galilea, na de doop die Johannes verkondigde: dat God Jezus uit Nazaret zalfde met heilige Geest en kracht; Hij trok weldoende rond en genas allen die in de macht waren van de duivel, want God was met Hem. En wij zijn de getuigen van alles wat Hij gedaan heeft in het land van de Joden en in Jeruzalem. Zij hebben Hem gedood door Hem aan een kruis te slaan. Maar God heeft Hem opgewekt op de derde dag en Hem laten verschijnen, niet aan heel het volk, maar aan de getuigen die tevoren door God waren aangewezen, aan ons, die met Hem gegeten en gedronken hebben na zijn opstanding uit de doden. Hij gebood ons tot het volk te prediken en te getuigen dat Hij het is die door God is aangesteld tot rechter van levenden en doden. Van Hem getuigen alle profeten dat ieder die in Hem gelooft, door zijn naam vergeving van zonden verkrijgt.’

Johannes 20, 1-9

        Jezus’ leerlingen bij het lege graf
Op de eerste dag van de week ging Maria van Magdala, in alle vroegte, terwijl het nog donker was, naar het graf en zag dat de steen voor de opening van het graf was weggehaald. IJlings liep ze naar Simon Petrus en de andere leerling, die van wie Jezus hield. ‘Ze hebben de Heer uit het graf gehaald’, zei ze. ‘Wisten we maar waar ze Hem hebben neergelegd!’ Daarop gingen Petrus en de andere leerling op weg naar het graf. IJlings liepen de twee er samen naartoe, maar de andere leerling liep harder dan Petrus en kwam het eerst bij het graf aan. Hij wierp er een blik in en zag dat de linnen doeken er nog lagen. Maar hij ging niet naar binnen. Toen kwam ook Simon Petrus, na hem, bij het graf aan en ging meteen naar binnen. Hij zag hoe de doeken er nog lagen, maar ook hoe de doek die zijn hoofd had bedekt, niet bij de andere doeken lag: hij was opgerold en lag helemaal apart. Toen pas ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf was aangekomen, naar binnen. Hij zag en kwam tot geloof. Ze wisten toen nog niet wat de Schrift zei: dat Hij uit de doden móést opstaan.

Archief preken