Kies uw kerk

Preek van de week

2017-11-26. Wie goed doet

Preek 34ste zondag van het jaar, A

 

Eerste lezing: Ezechiël 34, 11-12. 15-17

Evangelie: Mattheüs 25,31-46

We vieren het feest van Christus Koning. Een bijzondere koning, een koning die niets heeft met glorie en luister, heerlijkheid en macht. Mocht die suggestie uitgaan van het evangelie van vandaag, dan worden wij gecorrigeerd door de profeet Ezechiël. Zo leert hij: Jezus is koning voor en van de kwetsbaren, zowel in de samenleving dichtbij maar ook van de volken der aarde. Zoals een herder omziet naar zijn kudde en zich onder zijn schapen begeeft, zo zal Jezus omzien naar zijn schapen en ze in veiligheid brengen. Het vermiste schaap gaat Hij zoeken, het verdwaalde brengt Hij terug, het gewonde verbindt Hij, het zieke geeft Hij weer kracht.

De profeet Ezechiël schrijft: Zo spreekt de Heer: Ik zoek mijn kudde op. Dat wil zeggen: het verslagen, moedeloze volk, zo gekwetst en verstrooid. De rechten van de mens, recht op leven, op welzijn, op vrede en recht dienen voor alles geëerbiedigd te worden. Door volken en mensen. Voor God is het leven van de medemens onaantastbaar en heilig en dat moet voor ieder mens hetzelfde gelden, van welk volk ook. We zullen beoordeeld worden of we recht hebben gedaan aan mensen, wier rechten worden geschonden, verkwanseld of misbruikt: de rechten van de politiek gevangenen, van uitgeprocedeerde asielzoekers, van de kinderen, van zwakken en gehandicapten, van de ongeborenen.

Mattheus 25, 31-46 Links

Mattheus 25, 31-46 Links

Mattheus 25, 31-46 A Rechts

Mattheus 25, 31-46 A Rechts

Dat de Koning in deze niet bereid is te schipperen of mild te oordelen moge blijken uit het feite, dat hij zich identificeert met de ontrechten. Al wat gij gedaan hebt voor een van de geringsten van mijn zusters en broeders, dat heb je voor Mij gedaan.” Dat versta ik dan zo: Dat is pas echt christelijk leven en alleen op deze wijze, waar wij effectief opkomen voor het leven van mensen en volken, hun vrijheid, hun vrede, hun rechten, hun toekomst, hun kinderen, een veilig dak, een gedekte tafel, een eerlijk loon, een vangnet bij tegenslag, ieder binnen de mogelijkheden, die hij, of zij of wij met elkaar hebben.
Het is een feest, dat ons met grote dankbaarheid vervult. Het doet me wat, om te mogen spreken over een koning, over Jezus, die zo betrokken is bij het wel en wee van mensen, die ons zo nabij is. Een koning, die tegelijkertijd zo'n partijdige en bewogen rechter is, dat hij het opneemt voor de mensen, aan wier geluk zoveel ontbreekt. Een Koning, die ziet wat wij zo terloops aan goeds doen voor anderen, zo terloops, dat het onszelf nauwelijks opvalt maar Hem wel, zo terloops dat we niet beseften, dat wij in de ander Hem hebben ontmoet.

Wie goed doet, van welke huize, geloof of volk hij of zij ook is, heeft niets te vrezen en mag erop vertrouwen dat hij horen mag: Komt gezegenden van mijn Vader, erft het koninkrijk dat voor jullie klaar ligt van het begin van de schepping.

 

Amen.

Afbeelding: 7 werken van barmhartigheid

        Door: Meester van Alkmaar in opdracht van de directie van de Heilige Geestgasthuis in die stad.

Afmetingen (HxB): (1,2 m × 4,72 m)

Techniek: Olieverf op paneel

Datum: 1504

Te bewonderen in: Rijksmuseum zaal 0.4, Amsterdam, Nederland

Een Hollandse stad vormt het decor voor een beeldverhaal dat laat zien hoe een goed christen hulpbehoevende mensen moet helpen. Christus staat in bijna elk tafereel tussen de toeschouwers. De scènes geven een indruk van de stedelijke samenleving omstreeks 1500. Tijdens de Beeldenstorm van 1566 raakte het werk ernstig beschadigd.

 

Ik had honger en jullie hebben Me te eten gegeven;

Ik had dorst en jullie hebben Me te drinken gegeven;

Ik was vreemdeling en jullie hebben Me opgenomen;

Ik was naakt en jullie hebben Me gekleed;

Ik was ziek en jullie hebben naar Me omgezien;

Ik zat in de gevangenis en jullie kwamen naar Me toe;


Het zevende werk van barmhartigheid vinden we niet terug in Matteüs, maar is door de traditie eraan toegevoegd, als misschien wel het meest christelijke, of moet je zeggen, humane werk van barmhartigheid: de zorg voor de overledenen.
Tegen de achtergrond van de Middeleeuwse cultuur is het niet verwonderlijk om dit zevende (een bijbels getal) werk van barmhartigheid in het midden van het paneel afgebeeld te zien.

Ezechiël 34, 11-12. 15-17

        De goede herder
Want, zo spreekt de Heer God, Ik zal zelf omzien naar mijn schapen en ervoor zorgen. Zoals een herder omziet naar zijn schapen als die verdwaald zijn, zo zal Ik omzien naar mijn schapen en ze veilig terugbrengen van alle plaatsen waar ze verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en dichte duisternis.
Ik zal zelf mijn schapen weiden en ze zelf een rustplaats wijzen – godsspraak van de Heer God –. Het verdwaalde dier zal Ik zoeken, het verlaten dier terughalen, het gewonde dier verbinden, het zieke dier sterken, maar de vette en sterke dieren verdelgen; Ik zal ze weiden zoals het hoort. U, mijn schapen, zo spreekt de Heer God, Ik ga rechtspreken tussen het ene schaap en het andere.

Evangelie: Matteüs 25, 31-46

        Het oordeel van de mensenzoon
Wanneer de Mensenzoon komt, bekleed met zijn heerlijkheid en rondom Hem alle engelen, dan zal Hij plaatsnemen op de troon van zijn heerlijkheid. Alle volkeren zullen vóór Hem bijeengebracht worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt. De schapen zal Hij aan zijn rechterhand opstellen, de bokken aan zijn linkerhand. Dan zal de koning tegen hen die aan zijn rechterhand staan zeggen: “Kom, gezegenden van mijn Vader, neem het koninkrijk in bezit dat vanaf het begin van de schepping voor jullie klaar ligt. Want Ik had honger en jullie hebben Me te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me opgenomen. Ik was naakt en jullie hebben Me gekleed, Ik was ziek en jullie hebben naar Me omgezien, Ik zat in de gevangenis en jullie kwamen naar Me toe.” Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? Wanneer hebben we U als vreemdeling gezien en U opgenomen, of naakt en hebben we U gekleed? Wanneer hebben we U ziek of in de gevangenis gezien en zijn we naar U toe gekomen?” De koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan.” Dan zal Hij zich ook richten tot hen die aan zijn linkerhand staan en tegen hen zal Hij zeggen: “Ga weg van Mij, vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat aangelegd is voor de duivel en zijn engelen. Want Ik had honger en jullie hebben Me niet te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me niet te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me niet opgenomen, Ik was naakt en jullie hebben Me niet gekleed, Ik was ziek en zat in de gevangenis en jullie hebben niet naar Me omgezien.” Dan zullen ook zij antwoorden: “Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis en hebben we U niet geholpen?” Dan zal Hij hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je niet voor één van deze minsten hebt gedaan, heb je ook niet voor Mij gedaan.” Zij zullen naar de eeuwige straf gaan, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven.’

Archief preken