Kies uw kerk

Preek van de week

2018-03-31. De Heer is waarlijk opgestaan

Paaszaterdag, 31 maart 2018, B

 

Eerste lezing: Genesis 22, 1-19

Evangelie: Matteüs 28, 1-10

We mogen vanavond ons eerst bevrijden van een mogelijk misverstand. Het lijkt erop of het evangelie na de dood en graflegging van Jezus gewoon verder vertelt wat er gebeurd is. Er is een nieuwe dag aangebroken, de zon gaat op, en omdat er op de sabbat niet gebalsemd mag worden, gaan de vrouwen dat op de eerste werkdag alsnog doen. En terwijl ze erheen lopen denken ze aan die grote grafsteen. Bij het graf aangekomen blijkt het leeg te zijn. Alleluja, zeggen we, de heer is verrezen! Maar zó helder is het niet, want dan hebben we van de tekst een bericht gemaakt. Doch een bericht is iets anders dan een boodschap, dan verkondiging en dan de oproep tot een nieuwe manier van denken.

Misschien is de heenweg naar het graf nog een gewoon verhaal. De vrouwen houden van hun nu dode Jezus, willen zijn begrafenis passend afronden en nog een wijle bij hem toeven. Wij kennen deze gevoelens en emoties. Maar direct bij aankomst gaat alles anders. De vrouwen slaan hun ogen op. Zij beginnen te zien, te doorschouwen. Zij geraken in een andere wereld. Het is een open graf geworden, want de steen is weg.

En rechts van de plek, die toegang gaf tot de oude wereld, zien zij een jongeling zitten. Deze is gekleed in een blinkend wit kleed. Als we terugbladeren in het evangelie, lezen we dat bij de arrestatie van Jezus een jongeling aanwezig is, gekleed in fijn lijnwaad. Men wil hem vastgrijpen, maar hij ontkomt door zijn kleed achter te laten. Naakt vlucht hij weg, naakt zoals de naakte Jezus, van alles berooid. Als we Jezus willen volgen zullen we het kleed van de oude mens moeten achterlaten.

Men neemt aan dat deze jonge man Marcus is, de evangelist. Hij moet geen verslag doen van Jezus' leven en lijden, maar verkondigen, dat God deelt in de nood en het lijden van kleine mensen, verscheurd, misleid, misbruikt, gevangen gehouden in de greep van onrecht en hebzucht. Deze jonge man, die geroepen is de boodschap van uittocht en bevrijding in onze zelfgenoegzame wereld te doen klinken, zit nu, nu de vrouwen zien, rechts van het graf, dat geen graf meer is. Hij zit aan de rechterkant, omdat hij geroepen is de behoeder van een nooit vermoede boodschap te zijn.

Mattheus 28, 1-10

Mattheus 28, 1-10

In dit uur houden wij hier de paaswake. Onze paaswake, want we zijn met velen. Zo mag dat ook zijn, want we hebben elkaar nodig, om met het geheim van een nieuw bestaan te leren omgaan. We moeten elkaar helpen, en aanmoedigen waakzaam te zijn en te blijven. De boodschap mag niet verdampen. In deze nacht maken we een nieuw begin en gaan met de vrouwen, met hun verwarring, vrees, maar ook hun blijde verwachtingen op weg. We hebben weer vertrouwen in de toekomst en we zingen: alleluja. De Heer is waarlijk opgestaan!

 

Zalig Pasen

Afbeelding: Vrouwen in het graf (De engel in het graf van Christus)

       Schilder : Benjamin West (1738 - 1820)

Techniek: Olie op paneel

Datum: circa 1805

Afmetingen (H x B): 83 × 86.5 cm.

Te bewonderen: Brooklyn Museum, NewYork, America

Genesis: 22, 1-19

        De beproeving van abraham
Hierna gebeurde het dat God Abraham op de proef stelde. Hij zei tegen hem: ‘Abraham.’ En hij antwoordde: ‘Hier ben ik.’ Hij zei: ‘Ga met Isaak, uw zoon, uw enige, die u liefhebt, naar het land van de Moria, en draag hem daar, op de berg die Ik u zal aanwijzen, als brandoffer op.’ De volgende ochtend zadelde Abraham zijn ezel, nam twee knechten en zijn zoon Isaak met zich mee, en kloofde hout voor het brandoffer. Daarna ging hij op weg naar de plaats die God hem aangewezen had. Op de derde dag zag Abraham in de verte de plaats liggen. Toen zei Abraham tegen zijn knechten: ‘Jullie blijven hier bij de ezel; ik ga met de jongen daarginds heen. Nadat wij ons in aanbidding neergebogen hebben, komen wij weer terug.’ Daarop liet Abraham zijn zoon Isaak het hout voor het brandoffer dragen; zelf droeg hij het vuur en het offermes. Zo gingen zij samen op weg. Toen zei Isaak tegen zijn vader Abraham: ‘Vader.’ Hij antwoordde: ‘Hier ben ik, mijn zoon.’ Isaak zei: ‘Wij hebben wel vuur en hout, maar waar is het offerdier?’ Abraham antwoordde: ‘God zelf zal wel voor het offerdier zorgen, mijn zoon.’ En samen gingen zij verder. Toen zij de plaats die God hem had aangewezen bereikten, bouwde Abraham daar een altaar, stapelde er het hout op, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, bovenop het hout. Toen Abraham echter zijn hand uitstak naar het mes om daarmee zijn zoon te offeren, riep de engel van de heer hem vanuit de hemel toe: ‘Abraham, Abraham!’ En hij antwoordde: ‘Hier ben ik.’ En Hij zei: ‘Raak de jongen met geen vinger aan en doe hem niets! Ik weet nu dat u God vreest, want u hebt Mij uw zoon, uw enige, niet willen onthouden.’ Abraham keek om zich heen en zag een ram die met zijn hoorns in het struikgewas vastzat. Hij greep de ram en droeg die als brandoffer op, in plaats van zijn zoon. Abraham noemde die plaats ‘de heer ziet’; vandaar dat men nu nog zegt: ‘Op de berg van de heer laat Hij zich zien.’ Toen riep de engel van de heer voor de tweede maal uit de hemel tot Abraham en zei: ‘Bij Mijzelf heb Ik gezworen – godsspraak van de heer – omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet hebt onthouden, zal Ik u overvloedig zegenen en uw nakomelingen even talrijk maken als de sterren aan de hemel en de zandkorrels aan het strand van de zee. Uw nakomelingen zullen de poort van hun vijand bezitten. Om uw zaad zullen alle geslachten van de aarde zich gezegend noemen, omdat u naar mijn stem hebt geluisterd.’ Daarop keerde Abraham naar zijn knechten terug; samen gingen zij naar Berseba. En Abraham bleef in Berseba wonen.

Matteüs 28, 1-10

        De vrouwen bij het graf
Na de sabbat, bij het aanbreken van de eerste dag van de week, gingen Maria van Magdala en de andere Maria naar het graf kijken. Plotseling kwam er een zware aardbeving. Want een engel van de Heer daalde uit de hemel neer, kwam naderbij, rolde de steen weg en ging erop zitten. Zijn uiterlijk schitterde als een bliksemflits en zijn kleding was wit als sneeuw. De wachters beefden van angst en werden lijkbleek. De engel zei tegen de vrouwen: ‘U hoeft niet bang te zijn, want ik weet dat u Jezus zoekt die gekruisigd is. Hij is niet hier: Hij is tot leven gewekt, zoals Hij gezegd heeft. Kom, kijk naar de plaats waar Hij gelegen heeft. Ga snel tegen zijn leerlingen zeggen: “Hij is uit de doden opgewekt, en zie, Hij gaat voor u uit naar Galilea; daar zult u Hem zien.” Dit had ik u te zeggen.’ Ze gingen snel van het graf weg, vol angst en met grote vreugde, en ze liepen hard om het aan zijn leerlingen te vertellen. En zie, Jezus kwam hun tegemoet. ‘Gegroet’, zei Hij. Ze gingen naar Hem toe, grepen Hem bij de voeten vast en vielen voor Hem op de knieën. Toen zei Jezus hun: ‘Wees niet bang. Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan. Daar zullen ze Mij zien.’

Archief preken