Kies uw kerk

Preek van de week

2018-04-02. Ik ben met je.

Paasmaandag 2018, B

 

Eerste lezing: Handelingen van de apostelen 2, 14. 22-32

Evangelie: Mattheüs 28, 08-15

 

Het evangelie van vandaag vertelt dat de vrouwen zich doodschrokken. Hun ‘vrees’ is begrijpelijk. Wie zou niet schrikken als de dingen totaal anders lopen dan je verwacht. Het verhaal gaat echter verder door te vertellen dat het Jezus zélf is die die vrees wegneemt: ‘‘Wees niet bang’, zegt Hij. Je hoeft niet te schrikken. Je moet niet in het graf zoeken. Hier bij de dood is niks te vinden. Kijk in het leven van alledag bijvoorbeeld in Galilea. Daar zullen zij Mij zien. Daar in het gewone leven van alledag zullen jullie ervaren hoe zijn kracht genezend rondgaat. Hoe Hij brood breekt en deelt door onze handen. Hoe Hij altijd klaar stond voor anderen. Zijn gevende handen, zijn mildheid, zijn trouw aan de Vader. Dat was waarin Jezus geloofde. Dood en verderf hebben geen macht meer over Hem, hoorden we Petrus zeggen.

Vervolgens horen we hoe een tegenreactie op gang komt, op een manier waarop dat altijd gebeurt: met macht van geld en propaganda. De hoge priesters en oudsten sturen de bewakers naar de stad met een of ander verhaal over diefstal van het lichaam van Jezus. En zien we hoe snel sommige mensen bereid zijn de waarheid te verdraaien uit angst de macht te verliezen of voor eigen gewin.
Maar het gaat er eigenlijk niet om of het graf nu wel of niet leeg was.
Het gaat veel meer om de boodschap achter het verhaal, de boodschap die tot ons gericht is:
Hij leeft. Hij leeft in en onder ons. Men kan iemand zijn leven, naar het lichaam, afnemen, maar niet wie hij was, wat iemand voor een ander betekende. Niet zijn idealen en levenszin, zijn geloof of zijn levensovertuiging.
Geloven is niet het opzeggen van geloofsformules.
Geloven is: van binnenuit weten dat Hij er is ook al is hij gestorven. De liefde van een mens is niet te begraven. Zij zal altijd opbloeien waar wij in woord en daad Hem gedenken. Dat is onze getuigenis. Zijn leven en zegen zetten zich door daar waar mensen willen samenkomen in zijn naam; waar mensen Hem zien in de minsten en de laatsten.

Wees daar niet bang, zegt Jezus, want Ik ben met je. Ik ben er in het gewone leven van alledag; in je zorgen en verdriet, je levensvreugde en je teleurstellingen.

Mogen ook wij ons geroepen voelen om te getuigen van zijn opstanding door een zegen te zijn voor elkaar.

 

Amen.

 

Mattheus 28, 8-15

Mattheus 28, 8-15

Handelingen van de apostelen 2, 14. 22-32

        Toespraak van Petrus
Toen trad Petrus met de elf naar voren, verhief zijn stem en sprak hen als volgt toe: ‘Joden, inwoners van Jeruzalem, dit moet u allen weten, luister aandachtig naar mijn woorden! Israëlieten, luister naar deze woorden! Jezus de Nazoreeër is u van Godswege aangewezen door machtige daden, wonderen en tekenen, die God door Hem in uw midden heeft verricht, zoals u zelf weet. Volgens Gods vastgestelde plan en met zijn voorkennis is Hij uitgeleverd en hebt u Hem door de hand van wetteloze mensen aan het kruis geslagen en omgebracht. Maar God heeft Hem laten opstaan door een eind te maken aan de weeën van de dood, want het was onmogelijk dat Hij door de dood werd vastgehouden. David zegt immers over Hem: Steeds hield ik mij de Heer voor ogen, want Hij staat mij terzijde opdat ik niet zou wankelen. Daarom verheugde zich mijn hart en jubelde mijn tong, ja, ook mijn lichaam zal op die verwachting een huis bouwen, want U zult mijn leven niet overlaten aan het dodenrijk en U zult uw heilige geen bederf laten zien. U hebt mij wegen ten leven gewezen en U zult mij overstelpen met vreugde in uw nabijheid. Broeders, ik mag over de aartsvader David wel ronduit tegen u zeggen dat hij gestorven en begraven is; tot op de dag van vandaag bevindt zijn graf zich bij ons. Omdat hij een profeet was en wist dat God hem onder ede gezworen had dat Hij een van zijn nazaten zou laten zetelen op zijn troon, sprak hij met vooruitziende blik over de opstanding van de Messias: dat Hij niet aan het dodenrijk zou worden overgelaten en zijn lichaam geen bederf zou zien. God heeft deze Jezus laten opstaan; daarvan zijn wij allen de getuigen.

Matteüs 28, 08-15

        Het verhaal van de wachters
Maria van Magdala en de andere Maria verlieten het graf, vol angst en met grote vreugde, en ze liepen hard om het aan zijn leerlingen te vertellen. En zie, Jezus kwam hun tegemoet. ‘Gegroet’, zei Hij. Ze gingen naar Hem toe, grepen Hem bij de voeten vast en vielen voor Hem op de knieën. Toen zei Jezus hun: ‘Wees niet bang. Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan. Daar zullen ze Mij zien.’ Ze waren nog onderweg toen enkelen van de wacht naar de stad gingen om aan de hogepriesters alles te vertellen wat er was voorgevallen. Die kwamen samen met de oudsten en namen een besluit. Ze gaven de soldaten een flink bedrag, met de opdracht: ‘Zeg maar: “Zijn leerlingen zijn Hem ’s nachts komen stelen terwijl wij sliepen.” Als dat de gouverneur ter oren komt, zullen wij hem wel bepraten, zodat jullie je geen zorgen hoeven te maken.’
Ze namen het geld aan en handelden volgens deze aanwijzingen. En dit verhaal gaat rond onder de Joden tot op de dag van vandaag.

Archief preken