Kies uw kerk

Preek van de week

2019-07-28. Radicaal omgedraaid !

17de zondag door het jaar, C

 

Eerste lezing: Genesis 18, 20-32

Evangelie: Lucas 11, 1-13

De goeden moeten onder de kwaden lijden”, zeiden mijn ouders als ik verontwaardigd uit school kwam omdat de hele klas straf had gekregen, terwijl ik niks gedaan had. "De goeden moeten onder de kwaden lijden", dat vinden we heel bruikbaar en realistisch voor het dagelijks reilen en zeilen in maatschappij en Kerk. Want regels zijn immers regels. Maar als we op een goede of kwade dag zelf ondervinden dat er géén uitzonderingen worden gemaakt, dan doet dat pijn.

Pijnlijke voorbeelden zijn er genoeg; machthebbers voor wie de regels ineens niet gelden, en voor wie dus wél een uitzondering wordt gemaakt. De hogergeplaatste gedraagt zich als een soeverein machthebber. Een heerser die zegt: “Ik beslis over jou en ik beslis zonder jou”. Een heerser die zegt: “De wet, dat ben ik”.

Als één persoon de wet uitmaakt, dan ben je een niets. Dán heb je iemand nodig die jouw pleitbezorger is. Die het voor je opneemt en zegt: “Ik weet wel hoe de regels zijn, maar kunt u in dit geval misschien een uitzondering maken?” Zo'n pleitbezorger trekt niet aan de touwtjes, en zet geen macht tegenover macht. Zij of hij stelt de macht ook niet ter discussie, maar pleit wel voor hen die zonder macht zijn.

In de eerste lezing hoorden we zojuist zo'n pleidooi. Abraham pleit bij de God. Bij het afscheid verneemt Abraham wat God van plan is met de onrechtvaardige steden Sodom en Gomorra.
Bij het weggaan houdt Abraham zijn pleidooi. Niet van de ene machtige tegenover de andere machtige, maar in grote nederigheid. Wat niet hetzelfde is als slaafsheid!

Abrahams pleidooi luidt: "Neemt u me niet kwalijk God, maar moeten de goeden onder de kwaden lijden?" Met deze vraag herinnert Abraham God aan het hemelse, of anders gezegd het koninkrijk van God. In Gods koninkrijk zijn mensen zoals Abraham profeten. Abraham is de profeet die God herinnert aan het verbond van God en mens: “Wij hadden toch een verbond?”  “Daarom waag ik het om te vagen of de goeden onder de kwaden moeten lijden? Wil je echt de steden ten onder laten gaan, met alle mensen, de goeden en de slechten?” Abraham wil weten wat het verbond waard is. Hij polst God voorzichtig.

God luistert naar Abraham en zegt tenslotte toe de stad te sparen, ook al is er in die hele stad maar één goed mens te vinden.

Wat mogen wij vandaag als wijsheid meenemen? Het gezegde: ‘De goeden moeten onder de kwaden lijden’, wordt hier dus radicaal omgedraaid. Het is ongeldig geworden door Abrahams gebed. De vraag aan ons! Durven ook wij in ons bidden een profeet te zijn die alles radicaal omdraait?

 

Amen

Eerste lezing: Genesis 18, 20-32

        Abrahams voorbede
De Heer zei tegen Abraham: ‘Luid stijgt de roep om wraak uit Sodom en Gomorra op! Uitermate zwaar is hun zonde! Ik ga naar beneden om te zien of hun daden werkelijk overeenstemmen met de roep die tot Mij is doorgedrongen; Ik wil het weten.’ Toen gingen de twee mannen op weg in de richting van Sodom. De Heer bleef bij Abraham staan. Abraham ging naar Hem toe en zei: ‘Wilt U werkelijk met de boosdoeners ook de rechtvaardigen verdelgen? Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult U die dan verdelgen? Zult U de stad geen vergiffenis schenken omwille van de vijftig rechtvaardigen die er wonen? Zoiets kunt U toch niet doen: de rechtvaardigen samen met de boosdoeners laten sterven! Dan zou het de rechtvaardigen vergaan als de boosdoeners; dat kunt U toch niet doen! Zal Hij, die de hele aarde oordeelt, geen recht doen?’ En de Heer zei: ‘Als Ik in Sodom vijftig rechtvaardigen in de stad vind, zal Ik omwille van hen de hele stad vergiffenis schenken.’ Abraham begon weer en zei: ‘Mag ik zo vrij zijn tot mijn Heer te spreken, ofschoon ik maar stof en as ben? Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf; zult U dan toch om die vijf de hele stad verwoesten?’ En de Heer zei: ‘Ik zal haar niet verwoesten als Ik er vijfenveertig vind.’ Opnieuw sprak Abraham tot Hem: ‘Misschien zijn er maar veertig te vinden.’ En de HEER zei: ‘Ik zal het niet doen, omwille van die veertig.’ Nu zei Abraham: ‘Laat mijn Heer niet kwaad worden als ik nog eens aandring; misschien zijn er maar dertig te vinden.’ En Hij zei: ‘Ik zal het niet doen als Ik er dertig vind.’ Abraham zei opnieuw: ‘Ik ben wel vrijpostig als ik bij mijn Heer blijf aandringen; maar misschien worden er maar twintig gevonden.’ En Hij zei: ‘Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die twintig.’ Abraham zei: ‘Laat mijn Heer niet kwaad worden als ik nog één keer spreek; misschien zijn er maar tien te vinden.’ En Hij zei: ‘Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die tien.’

Evangelie: Lucas 10, 11, 1-13

        Jezus leert zijn leerlingen bidden
Eens was Hij ergens aan het bidden. Toen Hij opgehouden was, vroeg een van zijn leerlingen Hem: ‘Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes het zijn leerlingen geleerd heeft.’ Hij zei tegen hen: ‘Wanneer je bidt, zeg dan:
        Vader,
        uw naam worde geheiligd,
        uw koninkrijk kome;
        geef ons elke dag het nodige brood
        en vergeef ons onze zonden,
        want ook wij vergeven ieder die ons iets schuldig is,
        en breng ons niet in beproeving.’

Daarop zei Hij tegen hen: ‘Stel dat je midden in de nacht naar een van je vrienden gaat om te vragen: “Vriend, leen me drie broden, want een vriend van me is na een lange reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten.” Zou die ander daarbinnen antwoorden: “Val me niet lastig. De deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed. Ik kan niet opstaan om ze je te geven”? Welnee, hij staat op en geeft je wat je nodig hebt; is het niet omdat je zijn vriend bent, dan toch vanwege je vrijpostigheid. Ik zeg jullie: vraag en jullie zal gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt, krijgt; wie zoekt, vindt; en voor wie klopt, zal worden opengedaan. Welke vader onder jullie zal zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats daarvan een slang geven? Of een schorpioen, als het om een ei vraagt? Als jullie dus, slecht als je bent, het goede weten te geven aan je kinderen, hoeveel te meer zal dan de hemelse Vader de heilige Geest geven aan degenen die Hem erom vragen.’

Archief preken