Kies uw kerk

Preek van de week

Bezinning door het jaar - vijfde zondag van de Veertigdagentijd jaar A - 21 maart en 22 maart 2026

OVERWEGING VIJFDE ZONDAG VAN DE VEERTIGDAGENTIJD

Het is u wellicht dat de evangelies in deze vastentijd zulke lange verhalen zijn. Dat heeft zijn reden. In de eerste eeuwen van het christendom was de vastentijd een tijd van voorbereiding van de volwassenen die met Pasen gedoopt werden. Dat is trouwens nu nog zo. Het eerste deel van de eucharistie – waaraan zij al mochten deelnemen was een soort catechese – geloofsonderricht. Deze had vooral als doel hen te leren wie Jezus is. Wie is deze Jezus? die zij willen volgen.

De kern van die verhalen is dan ook telkens samen te vatten in een korte zin van Jezus: twee weken geleden zegt Jezus tot de Samaritaanse vrouw: ‘Ik ben het levende water.’ Jezus kan onze levensdorst lessen. Tot de blindgeborene – vorige zondag – zegt Jezus: ‘Ik ben het licht. Wie mij volgt wandelt niet in duisternis.’ Tot de familie van Lazarus zegt Hij deze zondag: ‘Ik ben het eeuwige leven. Wie in mij gelooft zal eeuwig leven.’

Johannes noemt deze bijzondere gebeurtenissen, ‘tekens’. Dat wil zeggen, iets dat verwijst naar iets anders of beter nog naar iemand anders. Ook de opwekking van Lazarus is een teken – het verwijst naar Jezus. Wij worden uitgenodigd niet stil te staan bij de figuur van Lazarus maar bij Jezus die zich openbaart. Wij worden uitgenodigd om met Maria te zeggen: ‘Ja, Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt de zoon Gods die in de wereld komt.’

Dit verhaal over Lazarus wordt vaak gelezen in de uitvaartliturgie. Dat is natuurlijk goed en zinvol; toch lopen we het gevaar ‘eeuwig leven’ waarover Jezus spreekt vooral te zien als iets dat begint op het einde van het aardse leven, bij de dood. Alsof wij eerst een aards leven moeten leiden en daarna het eeuwig leven. Zo verstaat Martha ook Jezus woorden ‘uw broer zal verrijzen.’ Zij zegt: ‘Ik weet Heer dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.’

Maar voor Johannes is er geen scheiding tussen nu en later. Wie in Jezus gelooft heeft nú al het eeuwig leven. Dat zeg ik ook altijd tegen een kindje dat gedoopt wordt; dat het nu al staat in het eeuwig leven. Het draagt nu al een levenskiem in zich die eeuwig en onvergankelijk is. In Jezus geloven ís eeuwig leven, het plaatst je in een heden dat een toekomst heeft, die nooit gesloten wordt. Wie in Hem gelooft heeft geen dood meer te vrezen. Voor die mens heeft de lichamelijke dood slechts een relatieve waarde want hij is reeds van de dood naar het leven overgegaan. Hij sterft wel maar blijft niet in de dood: Hij zal leven.

Bij de uitvaart van een gelovig mens, besprenkelt de priester het dode lichaam als herinnering aan het doopsel; want daardoor heeft de overledene reeds de kiem van onvergankelijk leven ontvangen. Door deze kiem van onvergankelijk leven worden wij ertoe aangezet ons leven tot bloei te laten komen door meer en meer bewust te leven van de woorden van Jezus. We merken dat ons verlangen naar bezit en macht vermindert en onze solidariteit met onze medemens wordt vergroot. Ons geestelijk leven verzorgen geeft kwaliteit aan ons leven op aarde, een kwaliteit die stand houdt over de dood heen. Jezus is er voor ons leven nu. Wie met Hem in geloof door het leven durft te gaan zal hierin de vervulling vinden van zijn diepste verlangen. Zo is zijn belofte.

Tenslotte lezen wij het verhaal van Lazarus twee weken voor Pasen. Vroeger noemde men deze zondag Passiezondag omdat hij al verwees naar het naderende einde van Jezus zelf. De opwekking van Lazarus is voor Jezus tegenstanders de onmiddellijke aanleiding tot het besluit Jezus uit de weg te ruimen. Van die dag af waren de Hogepriesters en farizeeërs besloten Hem te doden. Zo verwijst de opwekking van Lazarus naar het laatste en grootste teken namelijk de dood en verrijzenis van Jezus. Het teken bij uitstek. Zo brengt de Liturgie ons bij het Hoogtepunt van Jezus' leven: dat vieren wij vanaf Palmzondag en de Goede Week die besloten wordt met de glorie van Pasen: de verrijzenis van de Heer.

https://www.paterdamiaanparoch... bewerkt TS

VIJFDE ZONDAG VAN DE VEERTIGDAGENTIJD

EERSTE LEZING          Ez., 37, 12-14

Uit het boek Ezechiël

Zo spreekt God de Heer: "Ik ga uw graven openen; in massa's zal Ik u uit uw graven wegvoeren en u brengen naar de grond van Israël. En wanneer Ik dan uw graven geopend heb en u in massa's zal hebben weggevoerd uit uw graven, zult gij weten dat Ik de Heer ben. Mijn geest zal Ik over u uitstorten en gij zult leven; Ik zal u vestigen op uw eigen grond en gij zult weten dat Ik de Heer ben: Wat Ik zeg, dat volbreng Ik!" Zo luidt de godsspraak van de Heer.



TUSSENZANG  Ps., 130 (129), 1-2, 3-4ab, 4c-6, 7-8

REFREIN: De Heer is steeds barmhartig, zijn genade onbeperkt.

Uit de diepte roep ik, Heer, luister naar mijn stem.

Wil aandachtig horen naar mijn smeekgebed.

Als Gij zonden blijft gedenken, Heer, wie houdt dan stand?

Maar bij U vind ik vergeving, daarom zoekt mijn hart naar U.

Op de Heer stel ik mijn hoop, op zijn woord vertrouw ik.

Gretig zie ik naar Hem uit, meer dan wachters naar de ochtend.

Meer dan wachters naar de ochtend hunkert Israël naar Hem.

Want de Heer is steeds barmhartig, zijn genade onbeperkt.

Hij zal Israël verlossen van zijn ongerechtigheid.



TWEEDE LEZING         Rom., 8, 8-11

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome

Broeders en zusters, Zij die zelfzuchtig leven, kunnen God niet behagen. Maar uw bestaan wordt niet beheerst door de zelfgenoegzaamheid, maar door de Geest, omdat de Geest van God in u woont. Zou iemand de Geest van Christus niet hebben, dan behoort hij Hem niet toe. Als Christus in u is, blijft wel uw lichaam door de zonde de dood gewijd, maar uw geest lééft, En als de Geest van God die Jezus van de doden heeft opgewekt, in u woont, zal Hij die Christus Jezus van de doden heeft doen opstaan, ook uw sterfelijk lichaam eenmaal levend maken door de kracht van zijn Geest, die in u verblijft.


VERS VOOR HET EVANGELIE Joh., 11, 25a, en 26

Ik ben de verrijzenis en het leven, zegt de Heer; wie in Mij gelooft zal leven in eeuwigheid.


EVANGELIE  Joh.11, 1-45 of: 3-7.17.20-27.33b-45

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd was er iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp van Maria en haar zuster Marta. Maria was de vrouw die de Heer met geurige olie had gezalfd en zijn voeten met haar haren had afgedroogd. De zieke Lazarus was haar broer.) De zusters van Lazarus stuurden Jezus de boodschap: "Heer, hij die Gij liefhebt, is ziek." Toen Jezus dit hoorde, zei Hij: "Deze ziekte voert niet tot de dood, maar is om Gods glorie, opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden." Jezus hield veel van Marta, haar zuster en Lazarus. Toen Hij dan ook hoorde dat Lazarus ziek was, bleef Hij weliswaar nog twee dagen ter plaatse, maar daarna zei Hij tot zijn leerlingen: "Laat ons weer naar Judea gaan." (De leerlin­gen zeiden: "Rabbi, nog pas probeerden de Joden U te stenigen en gaat Gij er nu weer heen?" Jezus antwoordde: "Heeft de dag geen twaalf uren? Overdag kan iemand gaan zonder zich te stoten, omdat hij het licht van deze wereld ziet. Maar gaat iemand 's nachts dan stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is." Zo sprak Hij. En Hij voegde er aan toe: "Onze vriend Lazarus is ingeslapen, maar Ik ga er heen om hem te wekken." Zijn leerlingen merkten op: "Heer, als hij slaapt, zal hij beter worden." Jezus had echter van zijn dood gesproken, terwijl zij meenden dat Hij over de rust van de slaap sprak. Daarom zei Jezus hun toen ronduit: "Lazarus is gestorven, en omwille van u verheug Ik Mij dat Ik er niet was, opdat gij moogt geloven. Maar laat ons naar hem toegaan." Toen zei Tomas, bijgenaamd Didymus, tot zijn medeleerlingen: "Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.") Bij zijn aankomst bevond Jezus dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. (Betanië nu was dichtbij Jeruza­lem, op een afstand van ongeveer drie kilometer. Vele Joden waren dan ook naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten over het verlies van hun broer.) Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was, ging zij Hem tegemoet; Maria echter bleef thuis. Marta zei tot Jezus: "Heer, als Gij hier waart geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik dat wat Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven." Jezus zei tot haar: "Uw broer zal verrijzen." Marta antwoordde: "Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag." Jezus zei haar: "Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?" Zij zei tot Hem: "Ja, Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, die in de wereld komt." (Na deze woor­den ging zij haar zuster Maria roepen en zei zachtjes: "De Meester is er en vraagt naar je." Zodra Maria dit hoorde, stond zij vlug op en ging naar Hem toe. Jezus was nog niet in het dorp aangekomen, maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had. Toen de Joden die met Maria in huis waren om haar te troosten, haar plotseling zagen opstaan en weggaan, volgden zij haar in de mening dat zij naar het graf ging om daar te wenen. Toen Maria op de plaats kwam waar Jezus zich bevond, viel zij Hem te voet zodra zij Hem zag en zei: "Heer, als Gij hier waart geweest zou mijn broer niet gestorven zijn." Toen Jezus haar zag wenen, en eveneens de Joden die met haar waren meegekomen, doorliep Hem een huivering) en diep ontroerd sprak Jezus: "Waar hebt gij hem neergelegd?" Zij zeiden Hem: "Kom en zie, Heer." Jezus begon te wenen, zodat de Joden zeiden: "Zie eens hoe Hij van hem hield." Maar sommigen onder hen zeiden: "Kon Hij, die de ogen van een blinde opende, ook niet maken dat deze niet stierf?" Bij het graf gekomen overviel Jezus opnieuw een huivering. Het was een rotsgraf en er lag een steen voor. Jezus zei: "Neemt de steen weg." Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem: "Hij riekt al, want het is reeds de vierde dag. Jezus gaf haar ten antwoord: "Zei Ik u niet, dat als gij gelooft ge Gods heerlijk­heid zult zien?" Toen namen ze de steen weg. Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak: "Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt. Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort, maar omwille van het volk rondom Mij heb Ik dit gezegd, opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt." Na deze woorden riep Hij met luide stem: "Lazarus, kom naar buiten !" De gestorvene kwam naar buiten, voeten en handen met zwachtels gebonden en met een zweetdoek om zijn gezicht. Jezus beval hun: "Maakt hem los en laat hem gaan." Vele Joden, die naar Maria waren gekomen en zagen wat Hij gedaan had, geloofden in Hem.



Archief preken