Kies uw kerk

Preek van de week

Bezinning door het jaar - vierde zondag van de Veertigdagentijd jaar A - 14 maart en 15 maart 2026

OVERWEGING VIERDE ZONDAG VAN DE VEERTIGDAGENTIJD

Zowel in de eerste lezing als in het evangelie gaat het over zien of niet zien. In de eerste lezing wil Samuël zijn keuze om iemand tot koning te zalven baseren op het uiterlijk. Wanneer hij Eliab ziet, de man met de rijzige gestalte en de heldere blik, denkt hij dus automatisch: ‘Dat is de man die ik moet zalven.’ Maar God ziet anders dan de mensen: Hij kijkt niet naar het uiterlijk, maar naar het hart. Dus wordt niet Eliab of een van de zeven andere sterke zonen gezalfd, maar de jonge David.

Iets gelijkaardigs doet zich voor in het evangelie. Jezus en zijn leerlingen zien een man die van bij zijn geboorte blind is. Voor de leerlingen is duidelijk waarom: dat is een straf van God omdat hij of zijn ouders zwaar gezondigd hebben. Maar Jezus gaat daar uitdrukkelijk tegen in, want zo maakt God zijn werken niet openbaar. Hij ziet de wereld immers helemaal anders dan mensen.

Zien en gezien worden is ook heel gewoon in onze tijd. We worden gezien door camera’s op straat, op de snelweg, aan huizen, in winkels, musea enzovoort. Maar die camera’s zien alleen onze buitenkant, niet onze binnenkant. Ze zien niet wat we denken, wat we verlangen, wensen, vrezen. Ze zien onze liefde niet en ook niet ons verdriet, onze twijfels, onze angsten. Eigenlijk zien ze dus niets.

En wijzelf? Zien wij echt, of zijn we ziende blind, zoals die camera’s? Soms zijn we dat inderdaad, omdat we verblind worden door de laaghangende zon, zeker als we achter het stuur van een auto zitten. Maar we kunnen ook verblind worden door eigenbelang, egoïsme, zelfoverschatting. Zo verblind dat we onze medemensen niet echt meer zien. Zoals veel farizeeën in het evangelie: die zijn echt ziende blind. Ze willen gewoon niet zien dat die blindgeboren man genezen is, en ze willen nog minder zien dat Jezus een profeet is, laat staan de Messias. Wie dat gelooft, mag zelfs de synagoge niet meer binnenkomen. Ze vinden Jezus zelfs een zondaar, want Hij heeft die blinde genezen op de sabbat.

Zijn wij zoals de farizeeën? Zijn wij dus ziende blind voor al het goede dat er is in deze wereld van oorlog en haat? De goedheid om naar anderen te luisteren, om mantelzorger te zijn voor mentaal of fysiek gehandicapte mensen, om allerlei kleine dingen te doen voor mensen in nood, al is het maar een boodschap, een vriendelijke blik, een moment van aandacht, een schouderklop. En hebben wij aandacht voor de fouten die wijzelf soms – of misschien dikwijls - maken? Fouten als onverschilligheid, ongeduld, boosheid, eigen groot gelijk.

Opnieuw hoorden we een evangelie waarin ons een goede weg wordt aangewezen. En dat is nodig, want we leven in een wereld en in een tijd waarin rijkdom en geld, en macht en geweld bij de machthebbers in tel zijn. Een wereld waarin het innerlijke niet telt. Dat is immers van vroegere tijden, toen de mensen nog niets wisten en de Kerk ons van alles kon wijsmaken. Maar Jezus maakt ons niets wijs, integendeel, Hij veegt het stof dat ons verblindt en in duisternis doet leven uit onze ogen. De verblinding van de zelfverheerlijking en de duisternis van onverschilligheid, egoïsme, haat en geweld. Van al die ellende kan Jezus ons redden, want Hij is het licht van de wereld.

‘Ontwaak uit uw slaap, sta op uit de dood, en Christus zal over u stralen’, zegt Paulus in de tweede lezing. Laten we ons dus inspannen om te ontwaken uit de slaap van egoïsme, onverschilligheid en zelfverblinding. En laten we dat niet te lang uitstellen. Waarop wachten we dan nog?

4e zondag van de veertigdagentijd A - 2026 - Preken Online bewerkt TS

VIERDE ZONDAG VAN DE VEERTIGDAGENTIJD

EERSTE LEZING          1 Sam., 16, 1b, 6-7. 10-13a

Uit het eerste boek Samuël

In die dagen zei de Heer tot Samuël: "Vul een hoorn met olie: Ik zend u naar Isaï, de Betlehemiet, want een van zijn zonen heb ik voor het koningschap bestemd." Toen Samuël daar aankwam, viel zijn blik op Eliab en hij dacht: Die daar voor de Heer staat is ongetwijfeld zijn gezalfde ! Maar de Heer zei tot Samuël: "Ga niet af op zijn voorkomen of zijn rijzige gestalte; hem wil Ik niet. Want God ziet niet zoals een mens ziet; een mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer naar het hart." Zo stelde Isaï zeven van zijn zonen aan Samuël voor, maar Samuël zei tot Isaï: "Geen van hen heeft de Heer uitverkoren." Daarop vroeg hij aan Isaï: "Zijn dat al uw jongens?" Hij antwoordde: "Alleen de jongste ontbreekt; die hoedt de schapen." Toen zei Samuël tot Isaï: "Laat die dan halen, want we gaan niet aan tafel voordat hij hier is." Isaï liet hem dus halen. De jongen was rossig, had mooie ogen en een prettig voorkomen. Nu zei de Heer: "Hem moet gij zalven: hij is het." Samuël nam dus de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Sedert die dag was de geest van de Heer vaardig over David.


TUSSENZANG

REFREIN: De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort.

Ps. 23 (22), 1-3a, 3b-4, 5, 6

De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort; Hij laat mij weiden op groene velden.

Hij brengt mij aan water, waar ik kan rusten, Hij geeft mij weer frisse moed.

Mijn schreden leidt Hij langs rechte paden omwille van zijn Naam.

Al voert mijn weg door donkere kloven, ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt.

Uw stok en uw herdersstaf geven mij moed en vertrouwen.

Gij nodigt mij aan uw tafel tot ergernis van mijn bestrijders.

Met olie zalft Gij mijn hoofd, mijn beker is overvol.

Voorspoed en zegen verlaten mij nooit elke dag van mijn leven.

Het huis van de Heer zal mijn woning zijn voor alle komende tijden.


TWEEDE LEZING         Ef.,5,8-14

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze

Broeders en zusters, Eens waart gij duisternis, nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer. Leeft dan ook als kinderen van het licht. De vrucht van het licht kan alleen maar zijn: goedheid, gerechtigheid, waarheid.Tracht te ontdekken wat de Heer behaagt. Neemt geen deel aan duistere en onvruchtbare praktijken, brengt ze liever aan het licht. Wat die mensen in het geheim doen is te schandelijk om er ook maar over te spreken. Alles echter wat aan het licht wordt gebracht, komt in het licht tot helderheid. En alles wat verhelderd wordt, is zelf "licht" geworden. Zo zegt ook de hymne: "Ontwaak, slaper, sta op uit de dood en Christus' licht zal over u stralen."


VERS VOOR HET EVANGELIE Joh., 8, 12b

Ik ben het licht der wereld, zegt de Heer, wie Mij volgt, zal het levens­licht bezitten.


EVANGELIE     Joh., 9, 1-41 of 1. 6-9. 13-17. 34-38

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zag Jezus in het voorbijgaan een man die blind was van zijn geboorte af.(2 Zijn leerlingen vroegen Hem: "Rabbi, wie heeft gezondigd, hijzelf of zijn ouders, dat hij blind geboren werd?" Jezus antwoordde: "Noch hij, noch zijn ouders hebben gezondigd, maar de werken Gods moeten in hem openbaar worden. Wij moeten de werken van Hem die Mij gezonden heeft verrichten zolang het dag is. Er komt een nacht en dan kan niemand werken. Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld." Toen Hij dit gezegd had,) spuwde Hij op de grond, maakte met het speeksel slijk, bestreek daarmee de ogen van de man en zei tot hem: "Ga u wassen in de vijver van Siloam," - wat betekent: gezondene. Hij ging ernaar toe, waste zich en kwam er ziende vandaan. Zijn buren nu en degenen die hem vroeger hadden zien bédelen, zeiden: "is dat niet de man, die zat te bédelen?" Sommigen zeiden: "lnderdaad, hij is het." Anderen: "Neen, hij lijkt alleen maar op hem." Hijzelf zei: "Ik ben het." (10 Toen vroegen ze hem: "Hoe zijn dan uw ogen geopend?" Hij antwoordde: "De man die Jezus heet, maakte slijk, bestreek daarmee mijn ogen en zei tot mij: Ga naar de Siloam en was u. Ik ben dus gegaan, waste mij en kon zien." Ze vroegen hem toen: "Waar is die man ?" Hij zei: "Ik weet het niet.") Men bracht nu de man die blind geweest was bij de Farizeeën; de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen geopend, was namelijk een sabbat. Ook de Farizeeën vroegen hem dus, hoe hij het gezicht herkregen had. Hij zei hun: "De man die Jezus heet, deed slijk op mijn ogen, ik waste mij en ik zie." Toen zeiden sommige Farizeeën: "Die man komt niet van God, want Hij onderhoudt de sabbat Anderen zeiden: "Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen?" Zo was er verdeeldheid onder hen. Zij richtten zich opnieuw tot de blinde en vroegen: "Wat zegt gijzelf van Hem, daar Hij u toch de ogen geopend heeft?" Hij antwoordde: "Het is een profeet." (18 De Joden wilden niet van hem aannemen, dat hij blind was geweest en het gezicht herkregen had, eer zij de ouders van de genezene hadden laten komen. Zij stelden hun toen de vraag: "Is dit uw zoon, die volgens uw zeggen blind geboren is? "Hoe kan hij dan nu zien?" Zijn ouders antwoordden: "Wij weten, dat dit onze zoon is en dat hij blind is geboren, maar hoe hij nu zien karT, weten we niet; of wie zijn ogen geopend heeft, wij weten het niet. "Vraagt het hemzelf, hij is oud genoeg en zal zelf zijn woord wel doen." Zijn ouders zeiden dit omdat zij bang waren voor de Joden, want de Joden hadden reeds afgesproken dat alwie Hem als Messias beleed, uit de synagoge gebannen zou worden. Daar­om zeiden zijn ouders: Hij is oud genoeg, vraagt het hemzelf. Voor de tweede maal riepen de Farizeeën nu de man die blind was geweest, bij zich en zeiden hem: "Geef eer aan God. "Wij weten dat die man die Jezus heet, een zondaar is." Hij echter antwoordde: "Of Hij een zondaar is, weet ik niet. Eén ding weet ik wel: dat ik blind was en nu zie." Daarop vroegen zij hem wederom: "Wat heeft Hij met u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?" Hij antwoordde: "Dat heb ik al verteld, maar gij hebt niet geluisterd. Waarom wilt gij het opnieuw horen? Wilt ook gij soms leerlingen van Hem worden? Toen zeiden zij smalend tot hem: "Jij bent een leerling van die man, wij zijn leerlingen van Mozes. Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van deze weten we niet waar Hij vandaan is." De man gaf hun ten antwoord: "Dit is toch wel wonderlijk, dat gij niet weet vanwaar Hij is; en Hij heeft mij nog wel de ogen geopend. Wij weten dat God niet naar zondaars luistert, maar als iemand godvrezend is en zijn wil doet, dan luistert Hij naar zo iemand. Nooit in der eeuwigheid heeft men gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend. Als deze man niet van God kwam, had Hij zo iets nooit kunnen doen.") Zij voegden hem toe: "in zonden ben je geboren, zo groot als je bent, en jij wilt ons de les lezen ?" Toen wierpen ze hem buiten. Jezus vernam dat men hem buitenge­worpen had en toen Hij hem aantrof, zei Hij: "Gelooft ge in de Mensen­zoon?" Hij antwoordde: "Wie is dat, Heer? Dan zal ik in Hem geloven." Jezus zei hem: "Gij ziet Hem, het is Degene die met u spreekt." Toen zei hij: " Ik geloof, Heer." (-) En hij wierp zich voor Hem neer. (En Jezus sprak: "Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat de niet-zienden zouden zien en de zienden blind worden." Enkele Farizeeën die bij Hem stonden, hoorden dit en zeiden tot Hem: "Zijn ook wij soms blind?" Jezus antwoordde: "Als gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben, maar nu gij zegt: wij zien, blijft uw zonde.")


Archief preken