OVERWEGING DERDE ZONDAG VAN DE VEERTIGDAGENTIJD
Waar denken wij aan bij een zieke als hij of zij zegt: “ik heb dorst”. Een kopje thee, een slokje water. Waar denk je aan wanneer een groep mensen door de woestijn trekt en het uitroept: “we hebben dorst”. Je denkt aan water, aan een bron, aan verfrissing, een heerlijk bad en verkoeling in de schaduw. Dat is de dorst met een kleine letter, maar die dorst kan immens groot zijn. Een hongerstaker houdt het langer vol en loopt minder snel risico dan een dorststaker. Water is een absolute levensbehoefte.
Wat gebeurt er als Jezus aan het kruis zegt: “Ik heb dorst”? Een van de soldaten neemt een stok met een spons, doopt hem in zure wijn en brengt die aan zijn mond. Als u dan weet dat honderden jaren ervoor een tekstdichter dit schreef: “Ze mengden gif door mijn eten en gaven mij azijn toen ik dorst had”, u vindt het in psalm 69 (22), dan kunnen ook wij gaan inzien wat de leerlingen hebben begrepen, dat Jezus, zelfs in deze schijnbare toevalligheden, alles heeft volbracht wat er geschreven stond.
Dorst. Vandaag een bron en Jezus heeft dorst. Maar, we lezen uit het Evangelie volgens Johannes en hij denkt en schrijft voortdurend op twee niveaus. Johannes beschrijft de gewone werkelijkheid en beschouwt tegelijk alles op het niveau van Gods Koninkrijk. Hij ziet in de gewone werkelijkheid de andere werkelijkheid waarin alles omgekeerd lijkt te zijn. Want wie is er bron, wie heeft er dorst, wie geeft te drinken?
Jezus ontmoet de vrouw bij de put en zegt: “Geef Mij te drinken”. Maar het gebeurt niet. Ze doet niets. Integendeel, de vrouw maakt een opmerking over de tegenstelling Joden en Samaritanen. “Hoe kunt U, een Jood, aan mij, een Samaritaanse, te drinken vragen”. Nergens staat dat ze water in een beker doet en Hem te drinken geeft. Nee, er gebeurt iets heel anders.
“Als je wist van Gods gave, zou je het Mij gevraagd hebben en Ik zou je levend water gegeven hebben.” – “U hebt niet eens een emmer.” – “Het water dat Ik zal geven wordt een bron, opborrelend tot eeuwig leven.” “Heer, geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg”. De totale spraakverwarring, Babel op zijn ergst, de taal van de aarde en de taal van de hemel, met dit verschil dat Jezus de vrouw wel verstaat maar zij Hem niet.
Eerst heeft Jezus dorst, nu heeft de vrouw dorst; “Heer, geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg” zegt ze. Dorst en honger krijgen bij Jezus een andere betekenis; zijn honger is gestild, zijn dorst is gelest wanneer de vrouw tot geloof komt. Jezus' geestelijke honger en dorst, gaat ver boven zijn lichamelijke honger en dorst uit. Als iemand zich door Jezus’ Woord laat raken, laat voeden, dan voedt hij of zij Jezus. Als iemand een stap zet in geloof, dan lest hij of zij Jezus’ dorst.
Dat is één kant. De andere kant is: “een beker water aan een van de minste van de mijnen gegeven, is aan Mij gegeven”. Daar is een andere dorst, de dorst met een kleine letter, de gewone lichamelijke dorst van de zieke, van de arme, van de mens in nood, die dorst wordt bij God een Dorst met een hoofdletter. Gods Dorst is – dat wij die ander te hulp komen – dat wij de ander de dorst lessen, God heeft honger naar onze hulp voor de ander.
Misschien moet u eraan wennen dat God dorst heeft, dorst naar ons, naar ons geloof, naar ons vertrouwen, naar onze inzet voor de naaste. God heeft dorst. En Gods dorst, roept Jezus uit aan het kruis, en hier bij deze Samaritaanse vrouw toont God ook zijn dorst naar haar, naar haar geloof, naar haar bekering, vijf mannen heeft ze gehad en de man die ze nu heeft is haar man niet.
Maar ook hier kijkt Johannes verder: De Samaritanen zijn losgeraakt van Israël, het waren broeders en zusters in het geloof, maar in de geschiedenis hebben ze heel wat afdwalingen meegemaakt. Afval van God werd dikwijls met overspel vergeleken. Vijf mannen heb je gehad, zegt Jezus, en die je nu hebt is je man niet. Wat in haar leven is gebeurd, is ook in Samaria gebeurd is in de hele wereld gebeurd. Veel mensen zijn meer de wereld toegedaan dan God, verwachten meer van de wereld dan van God, geven meer om en aan de wereld dan aan God. Zo zijn zij meer met de wereld getrouwd dan met God.
God is de bruidegom, en in Jezus komt Hij naar ons toe. God dorst naar geloof en liefde van de bruid en dat zijn wij. God maakt geen onderscheid, Israël, Samaria, de hele mensheid wordt door Hem uitgenodigd; God roept ons toe om zijn dorst te lessen, om hem geen azijn te drinken te geven, maar water uit een zuiver hart.
Jezus geeft ons geen azijn, Hij geeft ons geen zure wijn te drinken, maar de beste wijn, water wordt wijn op de bruiloft te Kana; wijn wordt zijn Bloed tijdens het laatste avondmaal, zijn zijde wordt een bron waaruit water en bloed ontspringt als de soldaat hem opent met de lans.
Mozes sloeg op de rots en deze gaf water. Mensenharten worden in de Bijbel met stenen vergeleken, het moeten bronnen worden waaraan anderen zich kunnen laven, waaraan Gods dorst wordt gelest.
De evangelist Johannes probeert met zijn beeldtaal, zijn visie, zijn beschouwing van de werkelijkheid, ons mee te nemen om anders naar de werkelijkheid te kijken. Jezus is de bruidegom en de bruidegom komt zijn bruid halen. Deze Samaritaanse vrouw wordt bruid, niet naar het lichaam maar naar de ziel, zij wordt bruid van de ware Man, zij gaat geloven in Jezus, en zij staat symbool voor de andere Samaritanen, niet alleen door haar woorden maar vooral door Jezus’ Woord gaan zij in Hem geloven. De vrouw heeft zijn dorst gelest door de anderen bij Hem te brengen. De anderen lessen zijn dorst door de stap te zetten in het geloof aan Hem. Bruidegom en bruid worden verenigd, hemel en aarde ontmoeten elkaar en zo ontstaat een bron van nieuw leven.
Is het u misschien te theologisch, te verheven, te zweverig gebleven. Tja, zo zit Johannes in elkaar, hij is de adelaar onder de evangelisten. Maar misschien kunnen we het eenvoudiger samenvatten. Jezus ziet in iedere mens een Kind van God; in u en mij, in uw buurman en buurvrouw, in de concurrent, in de gastarbeider, de asielzoeker, in de zwarte of witte illegaal, in de eerlijke werkman en in de crimineel. Hij zoekt net zo lang tot Hij in ieder mens Gods beeld heeft teruggevonden. Hij nodigt ons uit dat ook in hen te zien. Hij nodigt ons uit om in naastenliefde geen onderscheid te maken, om sterk te staan in het geloof. Als wij dat doen, dan zal het geloof in onszelf een levensbron, een krachtbron worden, een dorstlessende bron, dan zullen anderen die ons ontmoeten, zeggen, dat was een fijne ontmoeting, die ontmoeting doet je goed, als een bron die verfrist, die een diepere dorst lest. Dan bent uzelf bron geworden, een bron die nieuw leven schenkt aan anderen.
https://hagenpreken.nl/Preken/... bewerkt TS
DERDE ZONDAG VAN DE VEERTIGDAGENTIJD
EERSTE LEZING Ex., 17,3-7
Uit het boek Exodus
In die dagen, leden de Israëlieten tijdens de woestijntocht hevige dorst. Zij bleven tegen Mozes morren en zeiden: "Waarom hebt gij ons weggevoerd uit Egypte als wij toch met kinderen en vee van dorst moeten sterven ?" Mozes klaagde zijn nood bij de Heer: "Wat moet ik toch aan met dit volk? Ze staan op het punt mij te stenigen." De Heer gaf Mozes ten antwoord: "Ga met enkelen van Israëls oudsten voor het volk uit, neem in uw hand de staf waarmee ge de Nijl geslagen hebt en begeef u op weg. Ik zal ginds, voor uw ogen, op een rots staan, op de Horeb. Sla op die rots: er zal water uitstromen zodat de mensen kunnen drinken." Mozes deed dat in het bijzijn van Israëls oudsten. Hij noemde de plaats Massa en Meriba vanwege de verwijten der Israëlieten en omdat zij de Heer hadden uitgedaagd door zich af te vragen: Is de Heer nu bij ons of niet?
TUSSENZANG
REFREIN: Luistert heden naar zijn stem: weest niet halsstarrig.
Ps. 95 (94)/ 1-2 6-7, 8-9
Komt, laat ons de Heer met gejubel begroeten, juichen wij toe de Rots van ons heil.
Laat ons verschijnen voor Hem met een lofzang, Hem met liederen eren.
Komt, laat ons aanbiddend ter aarde vallen, neerknielen voor Hem die ons schiep.
Hij is onze God en wij zijn volk, Hij is de herder en wij zijn kudde.
Luistert heden dan naar zijn stem: weest niet halsstarrig als eens in Meriba, zoals in Massa in de woestijn;
Waar uw vaderen Mij wilden tarten ofschoon zij mijn daden hadden gezien.
TWEEDE LEZING Rom., 5, 1-2. 5-8
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome
Broeders en zusters, Gerechtvaardigd door het geloof, leven wij in vrede met God door Jezus Christus onze Heer. Hij is het, die ons door het geloof de toegang heeft ontsloten tot die genade waarin wij staan; door Hem ook mogen wij ons beroemen op onze hoop op de heerlijkheid Gods. En die hoop wordt niet teleurgesteld, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken. Christus is immers voor goddelozen gestorven op de gestelde tijd, toen wij zelf nog geheel hulpeloos waren. Men zal niet licht iemand vinden die zijn leven geeft voor een rechtvaardige, al zou misschien iemand in een bepaald geval dit van zich kunnen verkrijgen. God echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor, dat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren.
VERS VOOR HET EVANGELIE Joh.,4,42 en 15
Heer, Gij zijt werkelijk de Redder van de wereld; Geef mij van het levend water, zodat ik geen dorst meer krijg.
EVANGELlE Joh., 4, 5-42 of 5-15. 19b-26. 39a. 40-42
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd kwam Jezus in een stad van Samaria, Sichar genaamd, dichtbij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven. Daar bevond zich de bron van Jakob en vermoeid van de tocht ging Jezus zo maar bij deze bron zitten. Het was rond het middaguur. Toen een vrouw uit Samaria water kwam putten zei Jezus tot haar: "Geef Mij te drinken." De leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om levensmiddelen te kopen. De Samaritaanse zei tot Hem: "Hoe kunt Gij als Jood nu te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?" - Joden namelijk onderhouden geen betrekkingen met de Samaritanen. Jezus gaf ten antwoord: "Als ge enig begrip hadt van de gave Gods en als ge wist wie het is, die u zegt: Geef Mij te drinken, zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven." Daarop zei de vrouw tot Hem: "Heer, Ge hebt niet eens een emmer en de put is diep: waar haalt Ge dan dat levende water vandaan? Zijt Ge soms groter dan onze vader Jakob die ons de put gaf en er met zijn zonen en zijn vee uit dronk?" Jezus antwoordde haar: "iedereen die van dit water drinkt, krijgt weer dorst, maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel, het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een waterbron worden, opborrelend tot eeuwig leven." Hierop zei de vrouw tot Hem: "Heer, geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg en hier niet meer moet komen om te putten." (Jezus zei haar: "Ga uw man roepen en kom dan hier terug." "Ik heb geen man", antwoordde de vrouw. Jezus zei haar: "Dat zegt ge terecht: ik heb geen man; want vijf mannen hebt ge gehad, en die ge nu hebt is uw man niet. "Wat dit betreft, hebt ge de waarheid gesproken. " Heer, - zei de vrouw -) ik zie dat Gij een profeet zijt. Onze vaderen aanbaden op die berg daar, en gij, Joden, zegt dat in Jeruzalem de plaats is waar men aanbidden moet." "Geloof Mij, vrouw, - zei Jezus haar, er komt een uur dat gij noch op die berg noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Gij aanbidt wat gij niet kent; wij aanbidden wat wij kennen, omdat het heil uit de Joden komt. "Maar er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid. "De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden. "God is geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem in geest en waarheid aanbidden." De vrouw zei Hem: "Ik weet dat de Messias - dat wil zeggen: de Gezalfde komt, en wanneer Die komt zal Hij ons alles verkondigen." Jezus zei tot haar: "Dat ben Ik, die met u spreek." Juist op dat ogenblik kwamen zijn leerlingen terug en zij stonden verwonderd dat Hij in gesprek was met een vrouw. Geen van hen echter vroeg: "Wat wilt Ge van haar?" of "Waarom praat Gij met haar?" De vrouw liet haar waterkruik in de steek, liep naar de stad terug en zei tot de mensen: "Komt eens kijken naar een man, die mij alles heeft verteld wat ik gedaan heb! "Zou Hij soms de Messias zijn?" Toen verlieten zij de stad om naar Hem toe te gaan. Ondertussen drongen de leerlingen bij Hem aan met de woorden: "Eet toch iets, Rabbi." Maar Hij zei hun: "Ik heb een spijs te eten die gij niet kent." De leerlingen zeiden tot elkaar: "Zou iemand Hem soms te eten gebracht hebben?" Daarop zei Jezus hun: "Mijn spijs is, de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen. Zegt gij niet: Nog vier maanden en dan komt de oogst? Wel nu, Ik zeg u: slaat uw ogen op en kijkt naar de velden; ze staan wit, rijp voor de oogst. Reeds krijgt de maaier zijn loon en verzamelt vrucht tot eeuwig leven, zodat zaaier en maaier zich samen verheugen. Zo is het gezegde waar: de een zaait, de ander maait. Ik stuurde u uit om te maaien waarvoor gij niet hebt gezwoegd; anderen hebben gezwoegd en gij plukt van hun zwoegen de vruchten.) Vele Samaritanen uit de stad geloofden in Hem (om het woord van de vrouw die getuigde: "Hij heeft mij alles verteld wat ik gedaan heb.") Toen dus de Samaritanen bij Hem gekomen waren, verzochten zij Hem bij hen te blijven. Hij bleef er dan ook twee dagen en door zijn woord kwamen er nog veel meer tot het geloof. Tot de vrouw zeiden ze: "Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt, want wij hebben Hem zelf gehoord en wij weten, dat Deze werkelijk de redder van de wereld is.
Dagbedevaart en driedaagse verzorgde bedevaart naar Beauraing
Vastenactie 2026: Stichting Brufut Vooruit ondersteunt Health Center Brufut in Gambia
Paardenprocessie Hakendover (België) - Tweede Paasdag (6 april 2026)
De Digidulfke uitgave februari 2026 is uit
VESPER-ESTAFETTE VAN KERKEN IN BEST-OIRSCHOT IN DE VEERTIGDAGEN PERIODE.