Kies uw kerk

Preek van de week

Bezinning door het jaar - vierde zondag van Pasen jaar A (Roepingenzondag) 25 en 26 april 2026

VIERDE ZONDAG VAN PASEN

Aan de vierde zondag van Pasen zijn de lezingen over de Goede Herder toegewezen, d.w.z. in jaar A Joh. 10, 1-10 (“Ik ben de deur van de schapen”), in jaar B Joh. 10, 11-18 (“De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen”) en jaar C Joh. 10, 27-30 (“Ik geef mijn schapen eeuwig leven”). (Ordo lectionum missae, 100 en ibidem, Proprium de tempore, nr. 49-51) 

Roepingenzondag, de zondag van de Goede Herder werd in 1964 door paus Paulus VI ingesteld als jaarlijkse wereldbiddag voor roepingen tot het priesterschap en het religieuze leven, tegen de achtergrond van een sterke terugloop in het aantal roepingen tot het gewijde ambt en het Godgewijde leven.

Sinds de herinvoering van het permanente diaconaat en de liturgieherziening wordt op de roepingenzondag (vierde zondag van Pasen) over de hele wereld ook voor roepingen tot het diaconaat gebeden.

Zo bidt de Kerk op deze dag voor roepingen, met name voor “bijzondere vormen van christelijk leven die in het aan God gewijde leven gestalte krijgen. Dit gebeurt op uiteenlopende wijze in het priesterschap, het afleggen van de professie en de geloften, door intrede in een klooster of apostolische gemeenschap, of ook door toetreding tot een seculier instituut” (H. Johannes Paulus II, Boodschap voor de wereldgebedsdag voor de roepingen, − Kerkelijke documentatie, 1992, p. 91).

Op deze dag bestaat de mogelijkheid om in inleiding op de viering, in homilie en universeel gebed (voorbede) bijzonder aandacht te schenken aan deze roepingen.


OVERWEGING

Met twee beelden beschrijft Jezus zichzelf: de herder en de deur. Het eerste is ons bekend,
misschien wel zo bekend bij Jezus, dat we er niets nieuws meer in horen. Het tweede beeld is
ons minder vertrouwd. Reden om bij beide beelden eens mijmerend stil te staan. Wat vertelt
Jezus ons over zichzelf? Wat hebben die beelden ons te vertellen?
De herder en zijn schapen zijn vertrouwd met elkaar. De herder weet welke schapen in de
omheinde ruimte, de kraal, tot zijn kudde behoren, en de schapen kennen hun herder. Het
beeld roept vertrouwdheid op, intimiteit, geborgenheid, veiligheid.

Maar de situatie, waarin Jezus over deze vertrouwdheid spreekt, is allerminst veilig en
vertrouwd. Niet voor niets heeft Jezus het behalve over een herder ook over een dief en een
rover. Juist tevoren heeft Jezus een blinde man genezen, op de sabbat. De genezen man wordt
door de farizeeën zonder pardon uit de synagoge gegooid. Dat gebeurt, nadat hij getuigd heeft
over Jezus: ‘Zo iemand moet wel van God komen, want naar zondaars luistert God niet.’ De
farizeeën willen iedereen uit de synagoge bannen, die Jezus als messias erkent!
Op dat moment spreekt Jezus over de dief en de herder en zegt over de laatste: ‘De schapen
volgen hem omdat ze zijn stem kennen. Een vreemde echter zullen ze niet volgen. Ze zullen
eerder van hem wegvluchten.’ De toehoorders, zeer waarschijnlijk waren dat de farizeeën,
begrijpen niets van wat Hij bedoelt met deze gelijkenis…

Jezus wil hen zeggen: ‘Degenen die mij volgen en in mij geloven, zoals die blindgeborene,
doen dat niet zomaar. Vreemden volgen ze niet. Ze doen het, omdat ze iets fundamenteels in
mij herkennen. Wij hebben samen al iets gemeenschappelijks.’
Maar hoe kan Jezus dat zeggen, terwijl toch velen die in Hem begonnen te geloven en Hem
wilden volgen, Hem voor het eerst zagen en hoorden. Wat werd er herkend, wat riep zo’n
vertrouwen op, wat maakte, dat veel mensen bij Hem als een herder veiligheid zochten?
Het is de genezen blinde die hierop het antwoord weet. Hij zegt: ‘Is het niet merkwaardig, dat
mensen niet weten, waar Hij vandaan komt?’ Het is zo duidelijk voor de blinde: het is de
Schepper die via Jezus tot zijn schepsel spreekt en het roept. De Schepper kun je herkennen
aan de opbouwende dingen die Hij doet, leven dat Hij herstelt of geeft, mensen die Hij hoedt,
ruimte geeft; en dat doet Jezus. Vandaar dat vertrouwen.

Maar dit herkennen vraagt een zekere openheid, een zekere ontvankelijkheid en aandacht.
Anders ontgaat je het teken of de stem, die jou aanspreekt. In het Evangelie zijn het meestal
zieken, armen en uitgestotenen, die die aandacht en ontvankelijkheid bezitten: zij hebben
weinig te verliezen, zij kijken anders tegen de gewone dingen aan dan rijke, gevestigde en
gezonde mensen, en vinden daardoor heel andere dingen belangrijk in het leven.
De farizeeën behoren volgens de Evangelist tot de gevestigde mensen, ze verstaan Jezus
niet…

Jezus gaat nog een stap verder. Voor degenen die Hem verstaan, intiem met Hem zijn, heeft
Hij nog een ander beeld. ‘Ik ben de deur,’ zegt Hij.
Een deur is de verbinding tussen binnen en buiten. En aan allebei de kanten is er iets
waardevols te vinden, zowel binnen als buiten. Wat dat betekent, kun je je misschien
indenken, wanneer je je de ingang van een ziekenhuis voorstelt. Wanneer je werkelijk iets
mankeert, en geholpen wilt worden, dan wil je naar binnen: daar is verlossing van je pijn, je
kwaal, misschien zelfs redding van je leven. Maar wanneer je behandeld bent, dan wil je ook
graag weer naar buiten, want daar ben je niet opgesloten, daar zijn je geliefden, daar is het
leven. De deur is het symbool voor redding, verlossing en bevrijding, beide kanten op.
‘Ik ben de deur,’ zegt Jezus. ‘Je kan door mij vrij in en uitgaan en weidegrond vinden.’
Binnen is er veiligheid en buiten voedsel, voor schapen in beide gevallen iets kostbaars en
redding gevends. Anders dan dieven en rovers die willen vernietigen, slachten en roven, is
Jezus de redder waardoor de kudde leven heeft en krijgt.
En voor mensen? Door Jezus, de deur, kunnen mensen God bereiken.
En door Jezus, de deur, kan God de mensen bereiken.

Door de deur, die Jezus, is kunnen mensen God bereiken. Niemand heeft ooit God gezien. Hij
lijkt zo vreemd, ver, afstandelijk, onbegrijpelijk soms in zijn daden. Bij zo’n God kun je je
eenzaam voelen. Maar als Hij in Jezus dichtbij komt, blijkt Hij een mens, die je bij je naam
kent; die zijn leven voor je in de waagschaal wil stellen, als dat nodig is. Die je aanraakt, zoals
een herder zijn schaap, zoals een vertrouwd persoon.
Door de deur die Jezus is, kan God de mensen bereiken. Want ook voor God is die deur nodig.
Hij wil de mensen bereiken, werkelijk met hen verbonden zijn. En dan is Jezus zijn weg, zijn
poort naar de mensen. God heeft het nodig om in de wereld te zijn, want dan voelt Hij zich
werkelijk God van de mensen. Voor God is Jezus zijn redding, redding uit zijn
opgeslotenheid.

En zo hebben we allebei Jezus, de deur, nodig: God en mensen. God toont zich aan ons in
Hem en de mensen van Judea raakten in Hem aan God, en wij, wij raken nog steeds in Hem
aan God.
Het is goed dit erbij te bedenken. Je bent niet in staat om een deur aan twee kanten tegelijk te
zien, zo gaat het ook met dit beeld. Je kunt het mysterie, waar Jezus op doelt, nooit volledig
met je verstand bevatten. Maar je kunt je er wel met aandacht en ontvankelijkheid voor open
proberen te stellen.
Die deur staat altijd open, zowel voor jou, als voor God. Je mag er vrij in- en uitgaan en
geborgenheid, vrijheid en voedsel zoeken voor je ziel.

https://www.tijdschriftvoorver... 

VIERDE ZONDAG VAN PASEN



EERSTE LEZING          Hand., 2, 14a. 36-41

Uit de Handelingen der Apostelen

Op de dag van Pinksteren trad Petrus met de elf naar voren en verhief zijn stem om het woord tot de menigte te richten: "Voor heel het huis van Israël moet onomstotelijk vaststaan, dat God die Jezus die gij gekrui­sigd hebt, tot Heer en Christus heeft gemaakt," Toen zij dit hoorden, waren zij diep getroffen en zeiden tot Petrus en de overige apostelen: "Wat moeten we doen, mannen, broeders?" Petrus gaf hun ten antwoord: "Bekeert u en ieder van u late zich dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden. Dan zult gij als gave de heilige Geest ontvangen. Want die belofte geldt u, uw kinderen en alle mensen, waar dan ook, zovelen de Heer onze God zal roepen." Met nog vele andere woorden legde hij getuigenis af, en hij vermaande hen: "Redt u uit dit ontaarde geslacht." Die zijn woord aannamen lieten zich dopen, zodat op die dag ongeveer drieduizend mensen zich aansloten.


TUSSENZANG

REFREIN: De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort.

of: Alleluia.

Ps. 23 (22), 1-3, 3b-4, 5, 6

De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort; Hij laat mij weiden op groene velden.

Hij brengt mij aan water, waar ik kan rusten, Hij geeft mij weer frisse moed.

Mijn schreden leidt Hij langs rechte paden omwille van zijn Naam.

Al voert mijn weg door donkere kloven, ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt.

Uw stok en uw herdersstaf geven mij moed en vertrouwen.

Gij nodigt mij aan uw tafel tot ergernis van mijn bestrijders.

Met olie zalft Gij mijn hoofd, mijn beker is overvol.

Voorspoed en zegen verlaten mij nooit, elke dag van mijn leven.

Het huis van de Heer zal mijn woning zijn voor alle komende tijden.


TWEEDE LEZING         1 Petr., 2, 20b-25

Uit de eerste brief van de heilige apostel Petrus

Dierbaren,

Geduldig verdragen wat gij te lijden hebt om uw goede daden, dat is het wat God behaagt. Het is ook uw roeping, want Christus heeft voor u geleden en u een voorbeeld nagelaten; gij moet in zijn voetstappen treden. Hij heeft geen zonde gedaan en in zijn mond is geen bedrog gevonden. Als Hij gescholden werd, schold Hij niet terug. Als men Hem leed aandeed, uitte Hij geen dreigementen. Hij liet zijn zaak over aan Hem die rechtvaardig oordeelt. In zijn eigen lichaam heeft Hij onze zonden op het kruishout gedragen, opdat wij aan de zonden zouden afsterven en gaan leven voor gerechtigheid. Door zijn striemen zijt gij genezen. Want gij waart verdwaald als schapen, maar nu zijt ge bekeerd tot de herder en behoeder van uw zielen.


ALLELUIA

Alleluia. Ik ben de goede Herder, zegt de Heer, Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij. Alleluia.

Joh., 10, 14


EVANGELIE     Joh., 10,1-10

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei Jezus: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie niet door de deur, maar langs een andere weg de schaapskooi binnengaat, hij is een dief en een rover. Maar wie door de deur binnengaat, is de herder van de schapen. Hem doet de deurwachter open. De schapen luisteren naar zijn stem; hij roept zijn schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. En als hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht, trekt hij voor hen uit, terwijl zij hem volgen, omdat zij zijn stem kennen. Een vreemde echter zullen ze niet volgen; integendeel, zij zullen van hem wegvluchten, omdat ze de stem van vreemden niet kennen." Deze gelijkenis vertelde Jezus hun, maar zij begrepen niet wat Hij hun wilde zeggen. Een andere keer zei Jezus tot hen: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen. Allen die voor Mij zijn gekomen, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd. lk ben de deur. Als iemand door Mij binnengaat, zal hij worden gered; hij zal in- en uitgaan en weide vinden. De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en te vernietigen. lk ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten, en wel in overvloed."





Archief preken