PALMZONDAG
“Wij hebben een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde” (Hebreeën 4, 15).
Wanneer wij ons afvragen waarom dit zware lijden Jezus heeft getroffen, dan geeft de brief aan de Hebreeën antwoord. Nu hebben wij een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden.
Als het lijden u treft, tegenslagen, vermoeidheden, teleurstellingen, aftakeling, ouderdom – problemen op het werk, in het huwelijk, in uw gezondheid – spanningen tussen vrienden en familieleden – zorgen om financiën, klimaat of de woning … Als het lijden u treft – weet dan: Jezus werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij.
De grootheid van Jezus is dat ondanks een gruwelijk vooruitzicht Hij zich niet liet afbrengen van zijn weg. In een totaal vertrouwen op zijn hemelse Vader durfde Hij het aan, in trouw, gehoorzaamheid, overgave, geloof, liefde; hoe groot de mishandeling en de pijn ook waren die Hij op zich af zag komen.
Jezus ging naar Jerusalem. Na het Hosanna van de intocht en zijn Laatste Avondmaal volgde onvermijdelijk zijn Kruisweg en zijn kruisdood. “Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde”.
Deze week maken wij zijn heilige drie dagen mee, vrijdag, zaterdag en zondag. Het begint op de avond voor de vrijdag, de herdenking van Witte Donderdag. Bent u in de gelegenheid dit mee te maken, wees er dan bij, omwille van Hem, onze Hogepriester, om wat Hij voor ons heeft doorstaan om ons te bevrijden.
https://hagenpreken.nl/Preken/...
WITTE DONDERDAG
“Wij roemen in ‘t kruis van de Heer Jezus Christus. In Hem is ons heil, ons leven en verrijzenis.” Dat kruis, voor de Joden een aanstoot, voor de heidenen een dwaasheid, is voor ons het teken van de overwinning, datgene waarop wij als christenen groot gaan.
Immers het kruis is in Christus het overweldigende teken van de liefde geworden. Hier geeft God zich in zijn eigen Zoon tot de dood op het kruis. God zelf geeft zich tot in de dood. Is er een onvoorstelbaarder en een groter liefde mogelijk: de Onsterfelijke wordt sterfelijk en sterft uit liefde voor ons. En tegelijkertijd sterft aan het kruis de Mensenzoon, een van ons, die zich in gehoorzame liefde totaal geeft aan God zijn Vader en daarmee herstelt wat Adam vanaf het begin door ongehoorzaamheid aan schuld op zich geladen had. In het kruis toont God zijn liefde tegenover ons en toont de mens zijn gehoorzame liefde tegenover God.
In Christus komt dat samen. De Gekruisigde Christus is Gods liefdesaanbod aan ons. De gekruisigde Christus aanvaarden, opzien naar Hem die zij hebben doorstoken, is Gods liefde aanvaarden. Tegelijk is de Gekruisigde Christus ons enige antwoord aan God dat werkelijk telt. Je aansluiten bij Hem, met Hem je kruis dragen is dan ook het enige antwoord dat God van ons aanvaardt. En het resultaat van het kruis van Christus is verrijzenis en eeuwig leven. Daarom roemen we in het kruis van onze Heer Jezus Christus, al is het nog geen goede vrijdag. Immers ook vanavond staat het kruis centraal. Alles wat Jezus op deze laatste avond van zijn leven doet, doet Hij met kruis van morgen voor ogen.
Allereerst stelt Hij de eucharistie in: het sacrament van het kruis. Het is immers het sacrament van zijn gebroken Lichaam en zijn vergoten Bloed. Hij wil dat het kruis door de eeuwen heen voor alle gelovigen bereikbaar zal zijn. En ook hier de dubbele beweging: dat ze zich kunnen aansluiten bij levensoffer van Christus en dat ze van God de genade van dit offer ontvangen. Daarom maakt Christus het op deze avond mogelijk, dat op alle tijden en plaatsen zijn kruisoffer tegenwoordig wordt gesteld, dat zijn gebroken Lichaam en zijn vergoten Bloed aan God wordt opgedragen. Telkens als wij eucharistie vieren mogen wij met Christus zijn offer aan de Vader opdragen tot heil van onszelf en van alle levenden en doden. En wij ontvangen het onderpand van het eeuwige leven in de communie: het Lichaam en Bloed van de Heer als spijs en drank van eeuwig leven. De eucharistie is daarmee het centrale sacrament van ons geloof: de grote paasgave van de Heer, waardoor Hijzelf met zijn kruisoffer in ons midden blijft. Zijn we ons wel altijd van die grote gave bewust. Vieren we met voldoende eerbied en aandacht het offer van het kruis, zijn we ons voldoende bewust van zijn aanwezigheid in de gaven van brood en wijn, naderen we met een zuiver en aandachtig hart tot de communie om Hem te ontvangen die onze weg, onze waarheid en ons leven is?
En het vieren van het sacrament, hoe belangrijk en noodzakelijk ook is maar een kant van de medaille. Dat maakt Jezus ons vanavond duidelijk, als Hij zijn leerlingen de voeten wast; als Hij het werk doet dat in die tijd alleen slaven deden. De liefde van het kruis betekent dat je je helemaal geeft, dat je als een slaaf voor de anderen wordt. Roemen in het kruis van de Heer Jezus Christus, betekent dus zowel eucharistie vieren, ons aansluiten bij het levensoffer van Christus en van Hem kracht ten leven ontvangen, alsook Hem navolgen in zijn kruisliefde. “Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat Gij zoudt doen zoals Ik u heb voorgedaan.”
Het kruis is onze verlossing maar tegelijk ook de dringende aansporing om de Gekruisigde te volgen in zichzelf totaal gevende liefde.
https://mennenpr.nl/witte-dond... bewerkt TS
GOEDE VRIJDAG
Een preek op Goede Vrijdag is meer nog dan anders een delicate zaak. En als het leed en de pijn je zelf niet op de huid zitten, wat kun je dan met recht van spreken zeggen? Daarom vandaag een overweging, die ik dezer dagen ontving uit de nalatenschap van iemand die een leven lang worstelde met een zwaar ziek lichaam. Het is een soort testament waarin de goede verstaander de worsteling met de pijn en het lijden herkent, maar ook de worsteling en de vertrouwdheid met de Schrift die altijd onder handbereik lag. Luistert u zelf maar.
Heel de veertigdagentijd hebben we erbij stil gestaan: als je God, het wáre leven, zoekt, met alles van je leven, dan zul je op één of andere manier altijd het kruis op je weg vinden. Het kan gewoon niet anders.
Het lijdensverhaal gaat over wat er nog altijd in de wereld met en door mensen gebeurt: hoe mensen met elkaar omgaan, waar we onze prioriteiten leggen, waar mensen voor kiezen als ze met hun rug tegen de muur staan, of ze dan kost wat kost, kiezen voor hun eigen hachje, wie ze daar dan de prijs voor laten betalen, en wat voor soort leven er zo aan het licht komt. Het lijdensverhaal gaat over wat er nog altijd gebeurt als mensen voor die keuze staan, en over het lijden dat daarmee gepaard gaat. Er is lijden en lijden, vermijdbaar en onvermijdbaar. We zijn mensen van stof, we sterven en vergaan, we zij eindig. In ons leven is de dood al bezig, in al zijn gedaanten: ziekte, aftakeling, kanker, natuurgeweld, ongelukken, verlies, handicaps en nog veel en veel meer. Het is zoals het is, het is onvermijdbaar lijden. Je kunt er niemand de schuld van geven, niemand doet het een ander aan, het gebeurt gewoon, zo zijn we nu eenmaal mens, mensen van vlees en bloed, maar wel met Gods levensadem in de neus. Het is lijden dat we moeten aanvaarden, dat we zoveel mogelijk moeten verzachten, maar dat we moeten aanvaarden, omdat we er nooit aan kunnen ontkomen. Kun je aanvaarden dat je God niet bent, en dat je dus ook nooit voor God mag spelen in de manier waarop je met jezelf en vooral met andere mensen omgaat?
Daarnaast is er het mysterie van het vermijdbare lijden, het lijden dat mensen elkaar aandoen. Lijden dat niet en nooit zou mogen gebeuren, dat niet en nooit gebeurt omdat God dat zou willen, lijden dat nooit een straf van God is omdat mensen het elkaar aandoen. Het kruis van Christus is daar het teken van. Daarom staat het kruis centraal niet enkel in de Goede week, maar in heel ons leven, daarom hebben we overal kruisbeelden. Niet om het lijden van Christus te verheerlijken, maar om nooit te vergeten in wat voor wereld we leven, een wrede wereld waarin mensen zich om allerlei redenen vergrijpen aan andere mensen, doen alsof ze God zijn. En dat wij, als we niet oppassen, ook zelf zulke mensen zouden kunnen zijn of worden.
Lijden op zich is nooit verlossend. Standhouden in het lijden dat mensen elkaar aandoen, jezelf en je ziel dan niet verliezen aan haat en verbittering, dat is verlossend. Jezus verlost ons niet omdat hij gegeseld werd en tenslotte vermoord is. Hij verlost ons omdat hij ondanks dat alles staande is gebleven en zo heeft laten zien hoe God eruit ziet. Het moest zo zijn, het moest wel zo gaan. We leven nu eenmaal in een wrede wereld waarin mensen voor God willen spelen. Jezus verlost ons doordat hij ons laat zien hoe wij moeten leven om iets van Gods levensadem in ons te laten zien.
Vandaag vertellen we elkaar de Blijde Boodschap, het lijdensverhaal, dat het mogelijk is om verlost te worden uit de kringloop van het kwaad waarin mensen elkaar gevangenhouden. Het passieverhaal is één grote vraag: jij, voor welke weg kies jij? Durf je erin te geloven dat het ware leven tevoorschijn komt als ook jij weerloos durft te leven en ‘nee’ durft te zeggen tegen elke vorm van onmenselijkheid, gewoon in de wereld waarin je je al te eindige leven van vlees en bloed leven moet? Want dan gaat in wat jou overkomt het licht van God op, net zoals dat het geval was in wat Jezus overkwam. Gods levenslicht, dichterbij dan je denkt. Doen wat hij, Jezus, deed: hij heeft niet voor zichzelf geleefd, hij is opgekomen voor mensen die niets te zeggen hebben, hij ging daarvoor het duister in, hij is niet halverwege gekeerd maar die weg ten einde toegegaan. Om in zijn ziel trouw te blijven aan de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarnaar hij, in de wrede wereld van man en macht, durfde blijven verlangen, tot op het eind.
Als je die tekst hoort als een laatste woord, wat doet dat met je? Is er herkenning, word je erdoor aangesproken en bemoedigd, heb je vragen of zet je je schrap?
Er is veel onvermijdelijk lijden. Je zult maar opgezadeld zijn met een lijf dat door ziekte wordt gesloopt. Welke keus heb je dan? Ontlopen gaat niet, maar hopelijk is er de smalle weg van de aanvaarding. Die onvermijdelijkheid, is er ook voor de omstanders, de naaste omgeving en velen meer. De machteloosheid doet ook hen lijden, maar tegelijk wordt de tocht misschien minder eenzaam als de weg samen wordt gegaan. Daagt daar niet het licht van de liefde sterker dan de dood?
En dan al dat lijden dat te vermijden is, dat niet had mogen zijn. Ook dat kent omstanders, die geen buitenstaanders zijn, mensen geraakt door de pijn en het verlies. Denk aan Maria Magdalena, en de vrouwen die niet weggelopen zijn. Wat is hun hoop en toekomst? En zijn ze enkel machteloze toeschouwers, of is hun machteloze nabijheid toch een glimp van licht voor de man op het kruis? En is er voor henzelf leven na dit verlies?
Wij staan aan de voet van het kruis en zien op naar hem die het leven in vrijheid en met overgave heeft aanvaard in trouw aan de Vader. Liefde sterker dan de dood, moge die ook de ziel zijn van ons bestaan.
https://www.abdijvanegmond.nl/liturgie/preek-goede-vrijdag-2021/
PALMZONDAG
EVANGELIE VAN DE INTOCHT
Matteus 21,1-11
Toen Jezus en zijn leerlingen Jeruzalem naderden en de Olijfberg bestegen in de richting van Betfage zond Jezus twee leerlingen uit met de opdracht: "Gaat naar het dorp daar voor u en het eerste dat gij zult vinden is een vastgebonden ezelin met een veulen. Maak die los en breng ze bij Mij. En als iemand u een aanmerking maakt, zegt dan: De Heer heeft ze nodig, maar zal ze spoedig terugsturen." Dit gebeurde, opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet: Zegt aan de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezel, op een veulen, het jong van een lastdier. De leerlingen begaven zich op weg en deden wat Jezus hun had opgedragen; zij brachten de ezelin met haar veulen, legden er hun mantels overheen en Hij ging er op zitten. Zeer velen uit het volk spreidden hun mantels uit op de weg, terwijl anderen de weg bedekten met twijgen die zij van de bomen hadden gesneden. De mensen die Hem omstuwden, jubelden: "Hosanna Zoon van David, Gezegend de Komende in de naam des Heren! Hosanna in den hoge!" Toen Hij Jeruzalem binnentrok, raakte de hele stad in beroering en men vroeg: "Wie is dat?" Het volk antwoordde: "Dit is de profeet Jezus uit Nazaret in Galilea."
EERSTE LEZING (Jes. 50, 4-7)
Uit de profeet Jesaja.
God de Heer heeft mij de gave van het woord geschonken; ik versta het de ontmoedigen moed in te spreken. Elke morgen spreekt Hij zijn woord, elke morgen richt Hij het woord tot mij en ik luister met volle overgave. God de Heer heeft tot mij gesproken en ik heb mij niet verzet, ik ben niet teruggedeinsd. Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen, mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten en mijn gezicht heb ik niet afgewend van wie mij smaadden en bespuwden. God de Heer zal mij helpen; daarom zal ik niet beschaamd staan en ik zal geen spier vertrekken. Ja, ik weet dat ik niet te schande zal worden.
TUSSENZANG psalm 22
REFREIN: Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij?
Ze lachen met mij, allen die mij zien, ze grijnzen en ze schudden met het hoofd.
Hij steunt toch op de Heer? Laat Die hem dan bevrijden, laat Die hem redden, als Hij hem bemint.
Een meute honden jaagt mij op, een bende booswichten houdt mij omsingeld.
Mijn handen en mijn voeten zijn gewond, mijn beenderen kan ik wel tellen.
Nu gapen zij mij aan en lachen zij mij uit, verdelen zij mijn kleren onderling
en dobbelen om mijn gewaad.
Ach, Heer, houd u niet ver van mij, mijn steun, kom haastig om mij bij te staan.
Uw Naam zal ik verheerlijken onder mijn broeders, voor het volk uw lof verkondigen:
Gij, dienaars van de Heer, verheerlijkt Hem, heel het geslacht van Jakob, brengt Hem dank,
TWEEDE LEZING (Fil. 2, 6-11)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi.
Broeders en zusters, Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God: Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd, Hij werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan een kruis. Daarom heeft God hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is, opdat bij het noemen van zijn naam zich ieder een knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde, en iedere tong zou belijden tot eer van God, de Vader:Jezus Christus is de Heer.
LIJDENSVERHAAL
L=lector; A = Allen; + = Christus; P = andere bijbelse personen
Matteus (26,14- 27,66)
L: In die tijd ging één van de twaalf, Judas Iskariot geheten, naar de hogepriester en zei:
P: Wat wilt ge mij geven als ik Hem u in handen speel?
L: Zij betaalden hem dertig zilverlingen uit. En van toen af zocht hij een gunstige gelegenheid om Hem over te leveren. Op de eerste dag van het ongedesemde brood kwamen de leerlingen Jezus vragen:
A: Waar wilt Gij dat wij het paasmaal voor U gereed maken?
L: Hij antwoordde:
+: Gaat naar de stad en zegt aan die en die: De Meester laat weten: Mijn uur is nabij; bij u wil Ik met mijn leerlingen het paasmaal houden.
L: De leerlingen deden zoals Jezus hun had opgedragen en maakten het paasmaal gereed. Toen de avond gevallen was, lag Hij met de twaalf leerlingen aan. Onder de maaltijd sprak Hij:
+: Voorwaar, Ik zeg u: een van u zal Mij overleveren.
L: Smartelijk getroffen begon de een na de ander Hem te vragen:
P: Ik ben het toch niet, Heer?
L: Hij antwoordde:
+: Die met Mij zijn hand in de schotel steekt, zal Mij overleveren. Wel gaat de Mensenzoon heen, zoals van Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd! Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens!
L: Judas, zijn verrader, nam ook het woord en zei:
P: Ik ben het toch niet, Rabbi?
L: Hij antwoordde hem:
+: Gij zegt het.
L: Onder de maaltijd nam Jezus brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn leerlingen met de woorden:
+: Neemt, eet; dit is mijn Lichaam.
L: Daarna nam Hij de beker en na het spreken van het dankgebed reikte Hij hun die toe met de woorden:
+: Drinkt allen hieruit. Want dit is mijn Bloed van het Verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. Maar Ik zeg u: van nu af zal Ik niet meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt tot op de dag waarop Ik met u, nieuw, zal drinken in het Koninkrijk van mijn Vader.
L: Nadat zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij naar de Olijfberg. Toen sprak Jezus tot hen:
+: In deze nacht zult ge allen aanstoot aan Mij nemen. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden. Maar na mijn verrijzenis zal ik u voorgaan naar Galilea.
L: Toen zei Petrus:
P: Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit.
L: Jezus zeide:
+: Voorwaar, Ik zeg u: nog deze nacht voor het kraaien van de haan, zult gij Mij driemaal verloochenen.
L: Petrus antwoorde hem:
P: Al moest ik met U sterven, in geen geval zal ik U verloochenen.
L: In diezelfde geest spraken ook al de leerlingen. Toen Jezus met hen aan een landgoed kwam dat Getsemane heette, sprak Hij tot zijn leerlingen:
+: Blijft hier zitten, terwijl Ik ginds ga bidden.
L: Petrus en de twee zonen van Zebedeus nam Hij echter met zich mee. Hij begon bedroefd en beangst te worden. Toen sprak Hij tot hen:
+: Ik ben bedroefd tot stervens toe. Blijft hier en waakt met Mij.
L: Nadat Hij een weinig verder was gegaan, wierp Hij zich plat ter aarde en bad:
+: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet zoals Ik wil, maar zoals Gij wilt.
L: Toen ging hij naar zijn leerlingen en vond hen in slaap; en Hij sprak tot Petrus:
+: Ging het dan uw krachten te boven een uur met Mij te waken? Waakt en bidt, dat gij niet op de bekoring ingaat. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
L: Hij verwijderde zich voor de tweede keer en weer bad Hij:
+: Vader, als het niet mogelijk is dat die beker voorbijgaat zonder dat Ik hem drink: dat dan uw wil geschiede.
L: En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap, want hun oogleden waren zwaar. Hij liet hen met rust, ging weer heen en bad voor de derde maal, nogmaals met dezelfde woorden. Daarna ging Hij naar zijn leerlingen en sprak tot hen:
+: Slaapt dan maar door en rust uit! Nu is het uur gekomen, waarop de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van zondaars. Staat op, laten we gaan; mijn verrader is nabij.
L: Hij was nog niet uitgesproken, of daar kwam Judas, een van de twaalf, vergezeld van een grote bende met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hogepriesters en de oudsten van het volk. Zijn verrader had een teken met hen afgesproken door te zeggen:
P: Die ik zal kussen, Hij is het; grijpt Hem.
L: Hij ging recht op Jezus af en zei:
P: Gegroet Rabbi,
L: en hij kuste Hem. Jezus sprak tot hem:
+ Vriend, zijt ge daarvoor hier?
L: Toen kwamen zij naar voren, grepen Jezus vast en maakten zich van Hem meester. Maar een van Jezus' gezellen greep naar zijn zwaard, trok het en sloeg met een houw de knecht van de hogepriester het oor af. Toen sprak Jezus tot hem:
+: Steek uw zwaard weer op zijn plaats. Want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. Of meent ge soms dat Ik niet de hulp van mijn Vader kan inroepen, die Mij dan aanstonds meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking zou stellen? Maar hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen dat het zo gebeuren moet?
L: Nu richtte Jezus zich tot de bende:
+: Als tegen een rover zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels om Mij gevangen te nemen. Dagelijks zat Ik in de tempel te onderrichten, en toch hebt ge Mij niet gegrepen. Maar dit alles is geschied, opdat de Schriften van de profeten in vervulling zouden gaan.
L: Toen lieten alle leerlingen Hem in de steek en namen de vlucht. Nu zij Jezus in hun macht hadden, voerden zij Hem naar de hogepriester Kajafas, waar de schriftgeleerden en de oudsten bijeengekomen waren. Petrus bleef Hem op een afstand volgen tot aan het paleis van de hogepriester; hij ging naar binnen en zette zich neer bij het dienstvolk om te zien hoe het af zou lopen. De hogepriester en het hele Sanhedrin zochten naar een schijngetuigenis tegen Jezus om hem ter dood te brengen. Maar ze vonden er geen, ofschoon er vele valse getuigen optraden. Ten slotte echter kwamen er twee verklaren:
A: Die man daar heeft beweerd: Ik kan de tempel van God afbreken en in drie dagen weer opbouwen.
L: Toen stond de hogepriester op en sprak tot Hem:
P: Geeft Ge geen antwoord? Wat getuigen deze mensen tegen U?
L: Maar Jezus bleef zwijgen. Toen sprak de hogepriester tot Hem:
P: Ik bezweer U bij de levende God ons te zeggen of Gij de Christus zijt, de Zoon van God.
L: Jezus gaf hem ten antwoord:
+: Gij zegt het. Maar Ik zeg U: vanaf nu zult ge de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen op de wolken des hemels.
L: Toen scheurde de hogepriester zijn kleed en riep uit:
P: Hij heeft God gelasterd; waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Gij hebt nu toch de godslastering gehoord! Wat denkt gij daarvan?
L: Zij antwoordden:
A: Hij verdient de doodstraf.
L: Daarop spuwden zij Hem in het gezicht en sloegen Hem met de vuist; anderen sloegen Hem met een stok, terwijl ze zeiden:
A: Wees nu eens voor ons profeet, Messias: wie is het die U geslagen heeft?
L: Intussen zat Petrus op de open binnenplaats. Hier trad een dienstmeisje op hem toe en zei:
P: Jij was ook bij Jezus de Galileeër.
L: Maar hij ontkende het waar allen bij waren en zei:
P: Ik weet niet wat je bedoelt.
L: Hierna ging hij naar het poortgebouw, maar een ander dienstmeisje merkte hem op en zei tot de aanwezigen:
P: Die daar was bij Jezus de Nazareeër!
L: Hij ontkende opnieuw met een eed:
P: Ik ken die mens niet.
L: Even daarna kwamen de omstanders dichterbij en zeiden tot Petrus:
A: Waarachtig, jij bent er ook een van! Het is duidelijk aan je spraak te horen.
L: Toen begon hij te vloeken en te zweren:
P: Ik ken die mens niet.
L: Onmiddellijk daarop kraaide een haan. En Petrus herinnerde zich het woord van Jezus die gezegd had: Voor het kraaien van de haan, zult ge Mij driemaal verloochenen. Hij ging naar buiten en begon bitter te wenen.
Bij het aanbreken van de morgen kwamen alle hogepriesters en oudsten van het volk in vergadering bijeen en spraken over Jezus het doodvonnis uit Geboeid leidde men Hem weg en leverde Hem uit aan de landvoogd Pilatus. Toen Judas, zijn verrader, zag dat Jezus veroordeeld was, kreeg hij wroeging en bracht de dertig zilverlingen terug bij de hogepriesters en ouderlingen met de woorden:
P: Ik heb misdaan door onschuldig bloed te verraden.
L: Maar zij antwoordden:
A: Wat gaat dat ons aan? Dat is uw zaak.
L: Toen gooide hij de zilverlingen in de tempel en liep weg. Hij ging heen en verhing zich. De hogepriesters raapten de geldstukken op en zeiden:
A: Wij mogen die niet bij de tempelschat doen, wat het is bloedgeld.
L: En zij besloten er het land van de pottenbakker mee te kopen om daar de vreemdelingen te begraven. Daarom kreeg dit stuk land de naam van Bloedakker en zo heet het nog. Aldus ging in vervulling wat de profeet Jeremia gezegd had: Zij namen de dertig zilverlingen, de prijs waarop Hij geschat is, geschat is door zonen van Israël, en gaven die voor de akker van de pottenbakker, zoals de Heer mij opgedragen had.
Jezus werd voor de landvoogd geleid en deze stelde Hem de vraag:
P: Zijt Gij de koning der Joden?
L: Jezus antwoorde:
+: Gij zegt het.
L: Op de beschuldigingen door de hogepriesters en de oudsten tegen Hem ingebracht gaf Hij geen enkel antwoord. Toen zeide Pilatus tot Hem:
P: Hoort Gij niet wat ze allemaal tegen U inbrengen?
L: Maar Hij gaf hem geen antwoord op welk punt dan ook, zodat de landvoogd hoogst verbaasd was. De landvoogd was gewoon bij elk feest een gevangene, naar keuze van het volk, vrij te laten. Men had juist een beruchte gevangene, een zekere Barabbas. Nu zij daar toch bijeen waren, sprak Pilatus tot hen:
P: Wie wilt ge dat ik u zal vrijlaten, Barabbas of Jezus, die Christus genoemd wordt?
L: Hij wist heel goed dat men Hem uit nijd had uitgeleverd. Terwijl hij op zijn rechterstoel gezeten was, stuurde zijn vrouw hem de boodschap:
P: Laat u niet in met deze rechtschapen mens, want ik heb vannacht in een droom veel om Hem moeten doorstaan.
L: Maar de hogepriesters en de oudsten haalden het volk over Barabbas te kiezen en Jezus te doen sterven. De landvoogd nam weer het woord en sprak tot hen:
P: Wie van de twee wilt ge dat ik u vrijlaat?
L: Ze zeiden:
A: Barabbas!
L: Pilatus vroeg hun:
P: Wat zal ik dan doen met Jezus, die Christus genoemd wordt?
L: Zij riepen allen:
A: Aan het kruis met Hem!.
L: Hij hernam:
P: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?
L: Maar zij schreeuwden nog harder:
A: Aan het kruis met Hem!
L: Toen Pilatus zag dat hij niets verder kwam, maar dat er veeleer tumult ontstond, liet hij water brengen en waste ten overstaan van het volk zijn handen, terwijl hij verklaarde:
P: Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtschapen man; gij moet het zelf maar verantwoorden.
L: Heel het volk riep terug:
A: Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!
L: Daarop liet hij omwille van hen Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en gaf Hem over om gekruisigd te worden.
Toen namen de soldaten van de landvoogd Jezus mee in het pretorium en verzamelden de hele afdeling rondom Hem Zij trokken Hem zijn kleren uit en hingen Hem een rode mantel om. Ook vlochten ze een kroon van doorntakken, zetten die op zijn hoofd en gaven Hem een rietstok in de rechterhand. Dan vielen ze voor Hem op de knieën en bespotten Hem met de woorden:
A: Gegroet, koning der Joden!
L: Ze bespuwden Hem, pakten de rietstok en sloegen Hem op het hoofd. Nadat zij hun spel met Hem gedreven hadden, ontdeden ze Hem van de mantel, trokken Hem zijn eigen kleren weer aan en voerden Hem weg ter kruisiging.
Toen ze de stad uitgingen ontmoetten ze een Cyreneeër, Simon genaamd en vorderden hem tot het dragen van Jezus' kruis. Gekomen op een plaats die Golgota genoemd wordt ‑ dat wil zeggen Schedelplaats ‑ gaven ze Hem met alsem gemengde wijn te drinken; Hij proefde ervan maar wilde niet drinken. Nadat ze Hem gekruisigd hadden, verdeelden ze zijn kleren onder elkaar door er om te dobbelen; en daar neergezeten bleven ze de wacht bij Hem houden. Boven zijn hoofd bracht men een opschrift aan met de reden van zijn veroordeling: Dit is Jezus, de koning der Joden. Samen met Hem werden ook twee rovers gekruisigd, de een rechts, de ander links. Voorbijgangers hoonden Hem, terwijl ze het hoofd schudden en zeiden:
A: Gij daar, die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, red Uzelf; als Gij de Zoon van God zijt, kom dan van dat kruis af!
L: In dezelfde geest zeiden de hogepriesters met de schriftgeleerden en oudsten spottend:
A: Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet redden. Hij is toch de koning van Israël. Laat Hem nu van het kruis afkomen, dan zullen we in Hem geloven. Hij stelt vertrouwen in God; laat Die Hem nu bevrijden, als Hij behagen in Hem heeft. Hij heeft immers gezegd: Ik ben de Zoon van God!
L: Zelfs de rovers, die samen met Hem gekruisigd waren, voegden Hem soortgelijke beschimpingen toe.
Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land, tot aan het negende uur toe. Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem uit:
+: Eli, Eli, lama sabaktani?
L: dat wil zeggen: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Enkelen van de omstanders die het hoorden, zeiden:
A: Hij roept om Elia!
L: Onmiddellijk daarop ging een van hen een spons halen, stak ze op een rietstok en bood Hem te drinken. Maar de anderen zeiden:
A: Laat dat! Wij willen eens zien of Elia Hem komt redden.
L: Jezus slaakte andermaal een luide kreet en gaf de geest.
hier knielen allen enige tijd.
L: En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën, de aarde beefde en de rotsen spleten. De graven gingen open en de lichamen van vele heilige mensen die ontslapen waren, stonden op. Na zijn verrijzenis kwamen zij uit de graven en gingen naar de heilige stad waar zij aan velen verschenen. De honderdman en die met hem bij Jezus de wacht hielden, werden bij het zien van de aardbeving en wat verder gebeurde door een grote vrees bevangen en zeiden:
A: Waarlijk, Hij was een Zoon van God.
L: Er waren ook vele vrouwen bij, die op een afstand toekeken; zij waren Jezus vanuit Galilea gevolgd om voor Hem te zorgen. Onder hen bevonden zich Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus en Jozef en de moeder der zonen van Zebedeus. Toen het avond was geworden kwam een rijk man, een zekere Jozef van Arimatea. die zich ook als leerling bij Jezus had aangesloten. Hij was naar Pilatus gegaan en had om het lichaam van Jezus gevraagd. Daarop had Pilatus bevolen het te geven. Jozef nam het lichaam, wikkelde het in een smetteloze lijkwade en legde het in zijn graf dat hij pas in de rots had laten uithouwen. Nadat hij een grote steen voor de ingang van het graf gerold had, ging hij heen. Maria Magdalena en de andere Maria waren erbij en zaten tegenover het graf. De volgende dag, dat is dus na de voorbereidingsdag, gingen de hogepriesters en Farizeeën gezamenlijk naar Pilatus en zeiden:
A: Heer, wij herinneren ons, dat de bedrieger, toen Hij nog leefde, gezegd heeft: Na drie dagen zal Ik verrijzen. Geef daarom order de veiligheid van het graf te verzekeren, tot de derde dag toe; zijn leerlingen mochten Hem anders eens komen stelen, en aan het volk zeggen: Hij is van de doden verrezen. Dit laatste bedrog zou nog erger zijn dan het eerste.
L: Pilatus zei hun:
P: Ge kunt een wacht krijgen. Neemt dan maar uw veiligheidsmaatregelen zoals gij gedacht hebt.
L: Zij gingen heen en verzekerden de veiligheid van het graf door de steen te verzegelen en de wacht er bij te plaatsen.
WITTE DONDERDAG
EERSTE LEZING (Ex.12, 1-8.11-14)
Uit het boek Exodus.
In die dagen richtte de Heer het woord tot Mozes en Aäron in Egypte, en sprak: Deze maand moet gij beschouwen als de beginmaand, als de eerste maand van het jaar. Maak aan heel de gemeenschap van Israël het volgende bekend. Op de tiende van deze maand moet ieder gezin een lam uitkiezen, ieder huis een lam. Als een gezin te klein is voor een lam, dan moeten ze, rekening houdend met het aantal personen, samen doen met hun naaste buurman. Bij het verdelen van het lam moet rekening gehouden worden met ieders eetlust. Het lam moet gaaf zijn, van het mannelijk geslacht en eenjarig. Ge kunt er een schaap of een geit voor nemen. Ge moet de dieren vasthouden tot aan de veertiende van de maand. Dan moet heel de verzamelde gemeenschap van Israël ze slachten in de avondschemering. Vervolgens moet ge wat bloed nemen en dat uitstrijken over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur van alle huizen waar het lam gegeten wordt. In dezelfde nacht moet het vlees gegeten worden, op het vuur gebraden. Het moet gegeten worden met ongezuurd brood en bittere kruiden. En dit is de wijze waarop gij het lam moet eten: uw lendenen omgord, uw voeten geschoeid en uw stok in de hand. Haastig moet ge eten, want het is pasen voor de Heer. Deze nacht zal Ik door Egypte gaan en alle eerstgeborenen van Egypte, zowel mensen als dieren, zal Ik slaan. Aan alle goden van Egypte zal Ik het vonnis voltrekken. Maar het bloed aan de huizen zal een teken zijn, dat gij daar woont. Als Ik het bloed aan uw huizen zie, zal Ik u voorbijgaan. Geen vernietigende plaag zal u treffen als Ik Egypte sla. Deze dag zal Ik tot een gedenkdag maken, ge moet hem vieren als een feest ter ere van de Heer. Van geslacht tot geslacht moet ge hem als een eeuwige instelling vieren.
TUSSENZANG Psalm 116
REFREIN: Geeft niet de beker der zegening de wij zegenen gemeenschap met het bloed van Christus?
Hoe kan ik mijn dank betuigen voor al wat de Heer mij gaf? Ik hef de offerbeker,
de Naam van de Heer roep ik aan.
Want kostbaar is in zijn ogen het leven van wie Hem vereert. O Heer, ik ben uw dienaar,
uw knecht, Gij hebt mijn boeien geslaakt.
Met offers zal ik U loven, de Naam van de Heer roep ik aan. Ik zal mijn geloften volbrengen
waar heel zijn volk het ziet.
TWEEDE LEZING (1 Kor.11,23-26)
Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.
Broeders en zusters, zelf heb ik immers van de Heer de overlevering ontvangen die ik u op mijn beurt heb doorgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij werd overgeleverd, brood nam, en na gedankt te hebben, het brak en zeide: "Dit is mijn lichaam voor u. Doet dit tot mijn gedachtenis." Zo ook na de maaltijd de beker, met de woorden: "Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed. Doet dit, elke keer dat gij hem drinkt, tot mijn gedachtenis." Telkens als gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.
VERS VOOR HET EVANGELIE
Een nieuw gebod geef ik U, zegt de Heer, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad.
EVANGELIE (Joh.13,1-15)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
Het paasfeest was op handen. Jezus, die wist dat zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan naar de Vader, en die de zijnen in de wereld bemind had, gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste. Onder de maaltijd, toen de duivel reeds aan Judas Iskariot, de zoon van Simon, het plan had ingegeven om Hem over te leveren, stond Jezus van tafel op. In het bewustzijn, dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde, legde Hij zijn bovenkleren af, nam een linnen doek en omgordde zich daarmee. Daarop goot Hij water in het wasbekken en begon de voeten van zijn leerlingen te wassen en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen. Zo kwam Hij bij Simon Petrus, die echter tot Hem zei: Heer, wilt Gij mij de voeten wassen? Jezus gaf hem ten antwoord: Wat Ik doe begrijpt ge nu nog niet, maar later zult gij het inzien. Toen zei Petrus tot Hem: nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen! Jezus antwoordde hem: als gij u niet door Mij laat wassen, kunt gij mijn deelgenoot niet zijn. Daarop zei Simon Petrus tot Hem: Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en hoofd. Maar Jezus antwoordde: wie een bad heeft genomen, behoeft zich niet meer te wassen, hij is immers helemaal rein. Ook gij zijt rein, ofschoon niet allen. Hij wist immers wie Hem zou overleveren. Daarom zei Hij: niet allen zijt gij rein. Toen Hij dan hun voeten had gewassen, zijn bovenkleren had aangetrokken en weer aan tafel was gegaan, sprak Hij tot hen: Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb? Gij spreekt Mij aan als Leraar en Heer, en dat doet gij terecht, want dat ben Ik. Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook Gij elkaar de voeten te wassen. Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb.
GOEDE VRIJDAG/HERDENKING VAN HET LIJDEN EN STERVEN VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS.
EERSTE LEZING (Jes.52, 13- 53,12)
Uit de profeet Jesaja
Zie, mijn dienaar zal succesvol handelen. Hij zal worden verhoogd en verheven en zeer verheerlijkt. Zoals velen over Hem ontsteld hebben gestaan zo misvormd was hij, zo onmenselijk van voorkomen en zijn schoonheid beneden die van mensenkinderen. Zo zal hij vele volkeren slaan met verbazing, koningen zullen hun mond voor hem sluiten, want wat hun niet verteld is aanschouwen zij en wat zij niet hebben gehoord, zien zij in. Wie kon geloven wat wij hebben gehoord. En over wie is de arm van de Heer zichtbaar geworden? Hij is opgerezen als een alleenstaande loot en als een wortel uit de dorre grond: hij had gestalte noch luister, zodat wij naar hem konden zien, geen voorkomen, zodat wij hem zouden kunnen begeren. Veracht en door de mensen verstoten, Man van smarten en door lijden gerijpt; als een die zijn gelaat voor ons heeft verborgen, veracht en door ons niet geteld. Toch waren het onze pijnen die hij droeg en onze smarten die hij op zich nam. Wij daarentegen beschouwden hem als een getroffene, als iemand die door God is geslagen en vernederd. Hij is echter doorboord om onze zonden, mishandeld om onze misdaden, want op hem rust de straf voor ons heil en door zijn striemen is er genezing voor ons. Wij allen dwaalden als een kudde, ieder ging zijn eigen weg; de Heer liet op hem neerkomen de misdaad van ons allen. Men mishandelde hem en hij heeft het aanvaard, hij heeft zijn mond niet geopend. Als het lam dat naar de slachtbank geleid wordt en als het schaap dat voor zijn scheerder verstomt, zo heeft hij zijn mond niet geopend. Door een gewelddadige rechtspraak is hij weggerukt. Wie is er nog die denkt aan zijn leven? Hij is immers weggenomen uit het land der levenden, om de zonden van mijn volk tot de dood toe geslagen. Men geeft hem een graf bij de misdadigers en bij de rijken een rustplaats ofschoon hij geen onrecht gepleegd heeft en er geen bedrog is geweest in zijn mond. Het heeft de Heer behaagd hem met slagen te pijnigen. Al brengt hij zichzelf ten offer toch zal hij een nageslacht zien, zijn dagen verlengen en de wens van de Heer zal door zijn hand vervuld worden. Om zijn zwoegen zal hij licht zien en worden verzadigd. Door zijn inzicht zal mijn dienaar als rechtvaardige velen rechtvaardigen en hun misdaden zal hij op zich laden. Daarom zal Ik hem deel geven onder de groten, en met machtigen zal hij de buit verdelen omdat hij zijn ziel prijs gaf aan de dood en onder de zondaars gerekend is. Hij draagt immers de zonden van velen en is voor de zondaars een voorspraak.
TUSSENZANG (psalm 31)
REFREIN: Vader, in uw handen beveel ik mijn geest.
Bij U, Heer, zoek ik mijn toevlucht, stel mij toch nimmer teleur. Vertrouwvol leg ik mijn geest in uw handen, Gij zult mij beschermen, getrouwe God.
Mijn vijanden drijven de spot met mij, mijn buren lachen mij uit. Men is mij vergeten als was ik dood,
ik ben gebroken als huisraad.
Toch blijf ik op U vertrouwen, Heer, steeds zeg ik: Gij zijt mijn God. Gij hebt mijn lot in uw hand, bevrijd mij van mijn vervolgers.
Laat over uw dienaar uw Aanschijn stralen, red mij door uw genade. Schept moed en weest onverschrokken, gij allen die hoopt op de Heer.
TWEEDE LEZING (Hebr.4, 14-16;5,7-9)
Uit de brief aan de Hebreeën.
Broeders en zusters, nu wij een verheven hogepriester hebben, een die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, nu moeten wij vasthouden aan onze belijdenis. Want wij hebben een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden. Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde. Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade, om barmhartigheid en genade te verkrijgen en tijdige hulp. In de dagen van zijn sterfelijk leven heeft Hij onder luid geroep en geween gebeden en smekingen opgedragen aan God die Hem uit de dood kon redden. Om zijn vroomheid is Hij verhoord: hoewel Hij Gods Zoon was heeft Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd; en toen Hij het einde had bereikt is Hij voor allen die Hem gehoorzamen oorzaak geworden van eeuwig heil.
LIJDENSVERHAAL VOLGENS JOHANNES (Joh.18,1-19,42)
L: In die tijd ging Jezus met zijn leerlingen naar buiten, naar de overkant van de beek Kedron. Daar was een boomgaard die Hij met zijn leerlingen binnenging. Maar ook Judas, die Hem zou overleveren kende deze plaats omdat Jezus er dikwijls met zijn leerlingen was samengekomen. Zo kwam Judas daarheen met een afdeling soldaten en met dienaars van de hogepriesters en farizeeën, voorzien van lantaarn, fakkels en wapens. Jezus, die alles wist wat over Hem ging komen, trad naar voren en zei tot hen:
+: Wie zoekt gij?
L: Zij antwoorden Hem:
A: Jezus de Nazoreeër.
L: Jezus zei hun:
+: Dat ben Ik.
L: Ook Judas, zijn verrader, bevond zich bij hen. Nauwelijks had Jezus hun gezegd: Dat ben Ik, of zij weken achteruit en vielen op de grond. Nog eens vroeg Hij hun:
+ :Wie zoekt gij?
L: Zij zeiden:
A: Jezus de Nazoreeër.
L: Jezus antwoordde:
+: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Als gij Mij zoekt, laat deze mensen dan gaan.
L: Vervuld moest worden wat Hij gezegd had: Niemand van hen die Gij Mij gegeven hebt liet Ik verloren gaan. Maar Simon Petrus had een zwaard bij zich. Hij trok het en verwondde daarmee de knecht van de hogepriester door hem het rechteroor af te slaan. De naam van die knecht was Malchus. Jezus echter sprak tot Petrus:
+: Steek dat zwaard in de schede; zou Ik de beker niet drinken die mijn Vader Mij gegeven heeft?
L: De afdeling met de bevelhebber en de dienaars van de Joden grepen toen Jezus vast, boeiden Hem en brachten Hem eerst naar Annas. Deze was namelijk de schoonvader van Kajafas, die dat jaar hogepriester was, dezelfde Kajafas die aan de Joden de raad had gegeven: het is beter dat één mens sterft voor het volk. Simon Petrus en nog een andere leerling volgden Jezus. Die leerling nu was een bekende van de hogepriester en zo ging hij tegelijk met Jezus het paleis van de hogepriester binnen, terwijl Petrus buiten de poort bleef staan. Die andere leerling, de bekende van de hogepriester, kwam naar buiten, sprak met de portierster en bracht Petrus naar binnen. Het meisje dat aan de poort stond vroeg Petrus:
A: Ben jij ook niet een van de leerlingen van die man?
L: Hij zei:
A: Neen, dat ben ik niet.
L: Omdat het koud was hadden de knechten een houtskoolvuur aangelegd en stonden zich te warmen. Ook Petrus stond bij hen en warmde zich. De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en zijn leer. Jezus antwoordde hem:
+: Ik heb openlijk tot de wereld gesproken. Ik heb altijd onderricht gegeven in de synagoge of in de tempel waar alle Joden bijeenkomen en er is niets wat Ik in het geheim heb gesproken. Waarom ondervraagt gij Mij? Ondervraag de mensen die gehoord hebben wat Ik hun heb verkondigd, Die weten goed wat Ik heb gezegd.
L: Op dit woord gaf een van de dienaars die naast Hem stond Jezus een klap in het gezicht en goede Hem toe:
A: Antwoordt Gij zo de hogepriester?
L: Jezus antwoordde hem:
+: Indien Ik iets verkeerd gezegd heb verklaar dan wat er verkeerd in was; maar indien het goed was, waarom slaat gij Mij?
L: Daarop zond Annas Hem geboeid naar de hogepriester Kajafas. Simon Petrus stond zich te warmen toen iemand hem vroeg:
A: Ben jij ook niet een van zijn leerlingen?
L: Hij ontkende het en zei:
A: Welnee.
L: Maar een van de knechten van de hogepriester, een bloedverwant van de man wie Petrus het oor had afgeslagen, zei:
A: Heb ik je niet in de boomgaard bij Hem gezien?
L: Petrus ontkende het opnieuw en meteen begon er een haan te kraaien.
Toen brachten ze Jezus van het huis van Kajafas naar het pretorium. Het was vroeg in de morgen. Zelf gingen zij het pretorium niet binnen want ze moesten het paasmaal kunnen eten en mochten zich daarom niet verontreinigen. Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg hun:
A: Welke beschuldiging brengt gij in tegen deze man?
L: Zij gaven hem ten antwoord:
A: Als dit geen misdadiger was zouden wij Hem niet aan u hebben overgeleverd.
L: Daarop zei Pilatus:
A: Neemt Hem dan zelf en vonnist hem volgens uw Wet!
L: De Joden antwoordden hem:
A: Wij Missen het recht iemand ter dood te brengen.
L: Zo zou Jezus' woord in vervulling gaan waarmee Hij had aangeduid welke dood Hij zou sterven. Nu ging Pilatus het pretorium binnen, riep Jezus bij zich en zei tot Hem:
A: Zijt Gij de koning der Joden?
L: Jezus antwoordde hem:
+: Zegt gij dit uit uzelf of hebben anderen u over Mij gesproken?
L: Pilatus gaf ten antwoord:
A: Ben ik soms een Jood? Uw eigen volk en de hogepriesters hebben u aan mij overgeleverd. Wat hebt Gij gedaan?
L: Jezus antwoordde:
+: Mijn koningschap is niet van deze wereld. Zou mijn koningschap van deze wereld zijn dan zouden mijn dienaars er wel voor gestreden hebben dat Ik niet aan de Joden werd uitgeleverd. Mijn koningschap is evenwel niet van hier.
L: Pilatus hernam:
A: Gij zijt dus toch koning?
L: Jezus antwoordde:
+: Ja, koning ben Ik. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid. Alwie uit de waarheid is luistert naar mijn stem.
L: Pilatus zei tot Hem:
A: Wat is waarheid?
L: Na die woorden ging hij weer naar buiten tot de Joden en zei:
A: Ik vind hoegenaamd geen schuld in Hem. Maar er bestaat onder u een gewoonte dat ik met Pasen iemand vrijlaat. Wilt gij dus dat ik de koning der Joden vrijlaat?
L: Toen begonnen ze opnieuw te schreeuwen:
A: Neen, Die niet maar Barabbas!
L: Barabbas was een rover.
L: Toen liet Pilatus Jezus geselen. De soldaten vlochten een kroon van doorntakken, zetten Hem die op het hoofd en wierpen Hem een purperen mantel om. Ze traden op Hem toe en zeiden:
A: Gegroet, koning der Joden!
L: En zij sloegen Hem in het gezicht.
Pilatus ging weer naar buiten en zei tot hen:
A: Ziehier, ik breng Hem naar buiten om u te doen weten dat ik volstrekt geen schuld in Hem vind.
L: Jezus kwam dus naar buiten terwijl Hij nog de doornenkroon en de purperen mantel droeg. Pilatus zei tot hen:
A: Ziehier de mens.
L: Maar toen de hogepriesters en hun dienaars Hem zagen schreeuwden ze:
A: Kruisigen, kruisigen!
L: Pilatus zei hun:
A: Neemt gij Hem dan en kruisigt Hem want ik vind geen schuld in Hem.
L: De Joden antwoordden hem:
A: Wij hebben een Wet en volgens die Wet moet Hij sterven omdat Hij zich voor Gods Zoon heeft uitgegeven.
L: Toen Pilatus dit hoorde werd hij nog meer bevreesd. Hij ging het pretorium weer binnen en sprak tot Jezus:
A: Waar zijt Gij vandaan?
L: Jezus gaf hem echter geen antwoord. Daarom zei Pilatus:
A: Gij spreekt niet tegen mij? Weet Ge dan niet dat ik de macht heb om vrij te spreken maar ook de macht heb U te kruisigen?
L: Jezus antwoordde:
+: Gij zoudt volstrekt geen macht over Mij hebben als u die niet van boven gegeven was. Daarom is de zonde van hem die Mij aan u heeft overgeleverd groter.
L: Van dit ogenblik af wilde Pilatus ertoe overgaan Hem vrij te laten. Maar de Joden schreeuwden:
A: Als ge die man vrijlaat zijt ge geen vriend van de keizer. Wie zich voor koning uitgeeft komt in verzet tegen de keizer.
L: Toen Pilatus dit hoorde roepen liet hij Jezus naar buiten brengen en ging op de rechterstoel zitten, op de plaats die Litostrotos heet, in het Hebreeuws Gabbata. Het was de voorbereidingsdag voor Pasen, ongeveer het zesde uur. Hij zei tot de Joden:
A: Hier is uw koning.
L: Maar zij schreeuwden:
A: Weg, weg met Hem! Kruisig Hem!
L: Pilatus vroeg:
A: Zal ik dan uw koning kruisigen?
L: De hogepriesters antwoordden:
A: Wij hebben geen andere koning dan de keizer!
L: Toen leverde hij Hem aan hen over om de kruisdood te ondergaan, en zij namen Hem over.
L: Zelf zijn kruis dragend trok Jezus de stad uit naar wat de Schedelplaats heet, in het Hebreeuws Golgota. Daar sloegen zij Hem aan het kruis, en met Hem nog twee anderen, aan elke kant één en Jezus in het midden. Pilatus had ook een opschrift laten maken en op het kruis laten aanbrengen. Het luidde: Jezus, de Nazoreër, de koning van de Joden. Vele Joden lazen dit opschrift, want de plaats waar Jezus gekruisigd werd lag dicht bij de stad. Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks. De hogepriesters van de Joden nu zeiden tot Pilatus:
A: Ge moest er niet op zetten: "de koning van de Joden" maar: "Hij heeft gezegd: Ik ben de koning van de Joden".
L: Pilatus antwoordde:
A: Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.
L: Toen de soldaten Jezus gekruisigd hadden, namen ze zijn kleren en deelden ze in vieren, voor iedere soldaat een deel. Ze namen ook de lijfrok die echter zonder naad was, aan één stuk geweven van bovenaf. Daarom zeiden ze tot elkaar:
A: Laten we die niet scheuren maar er om loten wie hem krijgt.
L: Aldus moest de Schrift vervuld worden: Zij verdeelden mijn kleren onder elkaar en dobbelden om mijn gewaad.
Terwijl de soldaten hiermee bezig waren stonden bij Jezus' kruis zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena. Toen Jezus zijn moeder zag en naast haar de leerling die Hij liefhad zei Hij tot zijn moeder:
+: Vrouw, zie daar uw zoon.
L: Vervolgens zei Hij tot de leerling:
+: Zie daar uw moeder.
L: En van dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich in huis.
Hierna, wetend dat nu alles was volbracht zei Jezus, opdat de Schrift vervuld zou worden:
+: Ik heb dorst.
L: Er stond daar een kruis vol zure wijn. Ze doopten er een spons in, staken die op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond.
L: Toen Jezus van de zure wijn genomen had, zei Hij:
+: Het is volbracht.
L: Daarop boog Hij het hoofd en gaf de geest.
(enige ogenblikken stilte voor gebed: allen knielen)
L: Aangezien het voorbereidingsdag was en de Joden niet wilden dat de lichamen op sabbat aan het kruis bleven - het was bovendien een grote sabbat - vroegen zij aan Pilatus verlof de benen van de gekruisigden te breken en hen weg te nemen. Daarom kwamen de soldaten en sloegen zowel bij de ene als bij de andere die met Hem gekruisgd waren de benen stuk. Toen zij echter bij Jezus kwamen en zagen dat Hij reeds dood was sloegen zij Hem de benen niet stuk, maar een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans; terstond kwam er bloed en water uit. Die het gezien heeft getuigt hiervan; zijn getuigenis is waar en hij weet dat hij de waarheid zegt, opdat ook gij zoudt geloven. Dit is gebeurd opdat de Schrift vervuld zou worden: Van zijn gebeente zal niets worden verbrijzeld, terwijl nog een ander Schriftwoord zegt: Zij zullen opzien naar Hem die zij hebben doorstoken.
Jozef van Arimatea, die een leerling was van Jezus maar in het geheim uit vrees voor de Joden, vroeg daarna aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen. Toen Pilatus dit had toegestaan ging hij dus heen en nam het lichaam weg.
Nikodemus, die Hem vroeger 's nachts bezocht had, kwam ook en bracht een mengsel van mirre en aloë mee, ongeveer honderd pond. Zij namen het lichaam van Jezus en wikkelden het met de welriekende kruiden in zwachtels, zoals bij een Joodse begrafenis gebruikelijk is. Op de plaats waar Hij gekruisigd werd lag een tuin en in die tuin een nieuw graf waarin nog nooit iemand was neergelegd. Vanwege de voorbereidingsdag van de Joden en omdat het graf dichtbij was legden zij Jezus daarin neer.
Jubileum Mgr. De Korte - viering op zaterdag 30 mei 2026
Vrijdag 8 mei 2026: één jaar paus Leo XIV
Zaterdag 20 juni: informatiestand met info over Middeleeuwse kerk bij Sint-Odulphuskerk
Odulphusprocessie en -viering: zondag 14 juni 2026
Gezinsbedevaart : Reis mee met Oda