Kies uw kerk

Preek van de week

Bezinning door het jaar - Palmzondag jaar A - 28 en 29 maart 2026

PALMZONDAG

“Wij hebben een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde” (Hebreeën 4, 15).

Wanneer wij ons afvragen waarom dit zware lijden Jezus heeft getroffen, dan geeft de brief aan de Hebreeën antwoord. Nu hebben wij een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden.

Als het lijden u treft, tegenslagen, vermoeidheden, teleurstellingen, aftakeling, ouderdom – problemen op het werk, in het huwelijk, in uw gezondheid – spanningen tussen vrienden en familieleden – zorgen om financiën, klimaat of de woning … Als het lijden u treft – weet dan: Jezus werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij.

De grootheid van Jezus is dat ondanks een gruwelijk vooruitzicht Hij zich niet liet afbrengen van zijn weg. In een totaal vertrouwen op zijn hemelse Vader durfde Hij het aan, in trouw, gehoorzaamheid, overgave, geloof, liefde; hoe groot de mishandeling en de pijn ook waren die Hij op zich af zag komen.

Jezus ging naar Jerusalem. Na het Hosanna van de intocht en zijn Laatste Avondmaal volgde onvermijdelijk zijn Kruisweg en zijn kruisdood. “Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde”.

Deze week maken wij zijn heilige drie dagen mee, vrijdag, zaterdag en zondag. Het begint op de avond voor de vrijdag, de herdenking van Witte Donderdag. Bent u in de gelegenheid dit mee te maken, wees er dan bij, omwille van Hem, onze Hogepriester, om wat Hij voor ons heeft doorstaan om ons te bevrijden. 

https://hagenpreken.nl/Preken/... 


WITTE DONDERDAG

“Wij roemen in ‘t kruis van de Heer Jezus Christus. In Hem is ons heil, ons leven en verrijzenis.” Dat kruis, voor de Joden een aanstoot, voor de heidenen een dwaasheid, is voor ons het teken van de overwinning, datgene waarop wij als christenen groot gaan.

Immers het kruis is in Christus het overweldigende teken van de liefde geworden. Hier geeft God zich in zijn eigen Zoon tot de dood op het kruis. God zelf geeft zich tot in de dood. Is er een onvoorstelbaarder en een groter liefde mogelijk: de Onsterfelijke wordt sterfelijk en sterft uit liefde voor ons. En tegelijkertijd sterft aan het kruis de Mensenzoon, een van ons, die zich in gehoorzame liefde totaal geeft aan God zijn Vader en daarmee herstelt wat Adam vanaf het begin door ongehoorzaamheid aan schuld op zich geladen had. In het kruis toont God zijn liefde tegenover ons en toont de mens zijn gehoorzame liefde tegenover God.

In Christus komt dat samen. De Gekruisigde Christus is Gods liefdesaanbod aan ons. De gekruisigde Christus aanvaarden, opzien naar Hem die zij hebben doorstoken, is Gods liefde aanvaarden. Tegelijk is de Gekruisigde Christus ons enige antwoord aan God dat werkelijk telt. Je aansluiten bij Hem, met Hem je kruis dragen is dan ook het enige antwoord dat God van ons aanvaardt. En het resultaat van het kruis van Christus is verrijzenis en eeuwig leven. Daarom roemen we in het kruis van onze Heer Jezus Christus, al is het nog geen goede vrijdag. Immers ook vanavond staat het kruis centraal. Alles wat Jezus op deze laatste avond van zijn leven doet, doet Hij met kruis van morgen voor ogen.

Allereerst stelt Hij de eucharistie in: het sacrament van het kruis. Het is immers het sacrament van zijn gebroken Lichaam en zijn vergoten Bloed. Hij wil dat het kruis door de eeuwen heen voor alle gelovigen bereikbaar zal zijn. En ook hier de dubbele beweging: dat ze zich kunnen aansluiten bij levensoffer van Christus en dat ze van God de genade van dit offer ontvangen. Daarom maakt Christus het op deze avond mogelijk, dat op alle tijden en plaatsen zijn kruisoffer tegenwoordig wordt gesteld, dat zijn gebroken Lichaam en zijn vergoten Bloed aan God wordt opgedragen. Telkens als wij eucharistie vieren mogen wij met Christus zijn offer aan de Vader opdragen tot heil van onszelf en van alle levenden en doden. En wij ontvangen het onderpand van het eeuwige leven in de communie: het Lichaam en Bloed van de Heer als spijs en drank van eeuwig leven. De eucharistie is daarmee het centrale sacrament van ons geloof: de grote paasgave van de Heer, waardoor Hijzelf met zijn kruisoffer in ons midden blijft. Zijn we ons wel altijd van die grote gave bewust. Vieren we met voldoende eerbied en aandacht het offer van het kruis, zijn we ons voldoende bewust van zijn aanwezigheid in de gaven van brood en wijn, naderen we met een zuiver en aandachtig hart tot de communie om Hem te ontvangen die onze weg, onze waarheid en ons leven is?

En het vieren van het sacrament, hoe belangrijk en noodzakelijk ook is maar een kant van de medaille. Dat maakt Jezus ons vanavond duidelijk, als Hij zijn leerlingen de voeten wast; als Hij het werk doet dat in die tijd alleen slaven deden. De liefde van het kruis betekent dat je je helemaal geeft, dat je als een slaaf voor de anderen wordt. Roemen in het kruis van de Heer Jezus Christus, betekent dus zowel eucharistie vieren, ons aansluiten bij het levensoffer van Christus en van Hem kracht ten leven ontvangen, alsook Hem navolgen in zijn kruisliefde. “Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat Gij zoudt doen zoals Ik u heb voorgedaan.”

Het kruis is onze verlossing maar tegelijk ook de dringende aansporing om de Gekruisigde te volgen in zichzelf totaal gevende liefde.

https://mennenpr.nl/witte-dond... bewerkt TS

GOEDE VRIJDAG

Een preek op Goede Vrijdag is meer nog dan anders een delicate zaak. En als het leed en de pijn je zelf niet op de huid zitten, wat kun je dan met recht van spreken zeggen? Daarom vandaag een overweging, die ik dezer dagen ontving uit de nalatenschap van iemand die een leven lang worstelde met een zwaar ziek lichaam. Het is een soort testament waarin de goede verstaander de worsteling met de pijn en het lijden herkent, maar ook de worsteling en de vertrouwdheid met de Schrift die altijd onder handbereik lag. Luistert u zelf maar.

Heel de veertigdagentijd hebben we erbij stil gestaan: als je God, het wáre leven, zoekt, met alles van je leven, dan zul je op één of andere manier altijd het kruis op je weg vinden. Het kan gewoon niet anders.

Het lijdensverhaal gaat over wat er nog altijd in de wereld met en door mensen gebeurt: hoe mensen met elkaar omgaan, waar we onze prioriteiten leggen, waar mensen voor kiezen als ze met hun rug tegen de muur staan, of ze dan kost wat kost, kiezen voor hun eigen hachje, wie ze daar dan de prijs voor laten betalen, en wat voor soort leven er zo aan het licht komt. Het lijdensverhaal gaat over wat er nog altijd gebeurt als mensen voor die keuze staan, en over het lijden dat daarmee gepaard gaat. Er is lijden en lijden, vermijdbaar en onvermijdbaar. We zijn mensen van stof, we sterven en vergaan, we zij eindig. In ons leven is de dood al bezig, in al zijn gedaanten: ziekte, aftakeling, kanker, natuurgeweld, ongelukken, verlies, handicaps en nog veel en veel meer. Het is zoals het is, het is onvermijdbaar lijden. Je kunt er niemand de schuld van geven, niemand doet het een ander aan, het gebeurt gewoon, zo zijn we nu eenmaal mens, mensen van vlees en bloed, maar wel met Gods levensadem in de neus. Het is lijden dat we moeten aanvaarden, dat we zoveel mogelijk moeten verzachten, maar dat we moeten aanvaarden, omdat we er nooit aan kunnen ontkomen. Kun je aanvaarden dat je God niet bent, en dat je dus ook nooit voor God mag spelen in de manier waarop je met jezelf en vooral met andere mensen omgaat?

Daarnaast is er het mysterie van het vermijdbare lijden, het lijden dat mensen elkaar aandoen. Lijden dat niet en nooit zou mogen gebeuren, dat niet en nooit gebeurt omdat God dat zou willen, lijden dat nooit een straf van God is omdat mensen het elkaar aandoen. Het kruis van Christus is daar het teken van. Daarom staat het kruis centraal niet enkel in de Goede week, maar in heel ons leven, daarom hebben we overal kruisbeelden. Niet om het lijden van Christus te verheerlijken, maar om nooit te vergeten in wat voor wereld we leven, een wrede wereld waarin mensen zich om allerlei redenen vergrijpen aan andere mensen, doen alsof ze God zijn. En dat wij, als we niet oppassen, ook zelf zulke mensen zouden kunnen zijn of worden.

Lijden op zich is nooit verlossend. Standhouden in het lijden dat mensen elkaar aandoen, jezelf en je ziel dan niet verliezen aan haat en verbittering, dat is verlossend. Jezus verlost ons niet omdat hij gegeseld werd en tenslotte vermoord is. Hij verlost ons omdat hij ondanks dat alles staande is gebleven en zo heeft laten zien hoe God eruit ziet. Het moest zo zijn, het moest wel zo gaan. We leven nu eenmaal in een wrede wereld waarin mensen voor God willen spelen. Jezus verlost ons doordat hij ons laat zien hoe wij moeten leven om iets van Gods levensadem in ons te laten zien.

Vandaag vertellen we elkaar de Blijde Boodschap, het lijdensverhaal, dat het mogelijk is om verlost te worden uit de kringloop van het kwaad waarin mensen elkaar gevangenhouden. Het passieverhaal is één grote vraag: jij, voor welke weg kies jij? Durf je erin te geloven dat het ware leven tevoorschijn komt als ook jij weerloos durft te leven en ‘nee’ durft te zeggen tegen elke vorm van onmenselijkheid, gewoon in de wereld waarin je je al te eindige leven van vlees en bloed leven moet? Want dan gaat in wat jou overkomt het licht van God op, net zoals dat het geval was in wat Jezus overkwam. Gods levenslicht, dichterbij dan je denkt. Doen wat hij, Jezus, deed: hij heeft niet voor zichzelf geleefd, hij is opgekomen voor mensen die niets te zeggen hebben, hij ging daarvoor het duister in, hij is niet halverwege gekeerd maar die weg ten einde toegegaan. Om in zijn ziel trouw te blijven aan de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarnaar hij, in de wrede wereld van man en macht, durfde blijven verlangen, tot op het eind.

Als je die tekst hoort als een laatste woord, wat doet dat met je? Is er herkenning, word je erdoor aangesproken en bemoedigd, heb je vragen of zet je je schrap?

Er is veel onvermijdelijk lijden. Je zult maar opgezadeld zijn met een lijf dat door ziekte wordt gesloopt. Welke keus heb je dan? Ontlopen gaat niet, maar hopelijk is er de smalle weg van de aanvaarding. Die onvermijdelijkheid, is er ook voor de omstanders, de naaste omgeving en velen meer. De machteloosheid doet ook hen lijden, maar tegelijk wordt de tocht misschien minder eenzaam als de weg samen wordt gegaan. Daagt daar niet het licht van de liefde sterker dan de dood?

En dan al dat lijden dat te vermijden is, dat niet had mogen zijn. Ook dat kent omstanders, die geen buitenstaanders zijn, mensen geraakt door de pijn en het verlies. Denk aan Maria Magdalena, en de vrouwen die niet weggelopen zijn. Wat is hun hoop en toekomst? En zijn ze enkel machteloze toeschouwers, of is hun machteloze nabijheid toch een glimp van licht voor de man op het kruis? En is er voor henzelf leven na dit verlies?

Wij staan aan de voet van het kruis en zien op naar hem die het leven in vrijheid en met overgave heeft aanvaard in trouw aan de Vader. Liefde sterker dan de dood, moge die ook de ziel zijn van ons bestaan.

https://www.abdijvanegmond.nl/liturgie/preek-goede-vrijdag-2021/ 


PALMZONDAG

EVANGELIE VAN DE INTOCHT

Matteus 21,1-11

Toen Jezus en zijn leerlingen Jeruzalem naderden en de Olijfberg bestegen in de richting van Betfage zond Jezus twee leerlin­gen uit met de opdracht: "Gaat naar het dorp daar voor u en het eerste dat gij zult vinden is een vastge­bonden ezelin met een veulen. Maak die los en breng ze bij Mij. En als iemand u een aanmerking maakt, zegt dan: De Heer heeft ze nodig, maar zal ze spoedig terugsturen." Dit gebeurde, opdat in vervul­ling zou gaan het woord van de profeet: Zegt aan de dochter van Sion: Zie, uw Ko­ning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezel, op een veulen, het jong van een lastdier. De leerlingen begaven zich op weg en deden wat Jezus hun had opgedra­gen; zij brachten de ezelin met haar veulen, legden er hun mantels overheen en Hij ging er op zitten. Zeer velen uit het volk spreidden hun mantels uit op de weg, terwijl anderen de weg bedek­ten met twijgen die zij van de bomen hadden gesneden. De mensen die Hem omstuwden, jubelden: "Hosanna Zoon van David, Geze­gend de Komende in de naam des Heren! Hosanna in den hoge!" Toen Hij Jeruza­lem binnentrok, raakte de hele stad in beroering en men vroeg: "Wie is dat?" Het volk antwoordde: "Dit is de profeet Jezus uit Nazaret in Galilea."

EERSTE LEZING (Jes. 50, 4-7)

Uit de profeet Jesaja.

God de Heer heeft mij de gave van het woord ge­schon­ken; ik versta het de ontmoedigen moed in te spreken. Elke morgen spreekt Hij zijn woord, elke morgen richt Hij het woord tot mij en ik luister met volle overgave. God de Heer heeft tot mij gesproken en ik heb mij niet verzet, ik ben niet terugge­deinsd. Mijn rug bood ik aan wie mij sloe­gen, mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten en mijn ge­zicht heb ik niet afgewend van wie mij smaadden en be­spuwden. God de Heer zal mij helpen; daarom zal ik niet beschaamd staan en ik zal geen spier vertrek­ken. Ja, ik weet dat ik niet te schande zal worden.

TUSSENZANG  psalm 22

REFREIN: Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij?

Ze lachen met mij, allen die mij zien, ze grijnzen en ze schudden met het hoofd.

Hij steunt toch op de Heer? Laat Die hem dan bevrijden, laat Die hem redden, als Hij hem bemint.

Een meute honden jaagt mij op, een bende booswichten houdt mij omsingeld.

Mijn handen en mijn voeten zijn gewond, mijn beenderen kan ik wel tellen.

Nu gapen zij mij aan en lachen zij mij uit, verdelen zij mijn kleren onderling

en dobbelen om mijn gewaad.

Ach, Heer, houd u niet ver van mij, mijn steun, kom haastig om mij bij te staan.

Uw Naam zal ik verheerlijken onder mijn broeders, voor het volk uw lof verkondigen:

Gij, dienaars van de Heer, verheerlijkt Hem, heel het geslacht van Jakob, brengt Hem dank,

TWEEDE LEZING (Fil. 2, 6-11)

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi.

Broeders en zusters, Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijk­heid met God: Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich verne­derd, Hij werd gehoor­zaam tot de dood, tot de dood aan een kruis. Daarom heeft God hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is, opdat bij het noemen van zijn naam zich ieder een knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde, en iedere tong zou belijden tot eer van God, de Vader:Jezus Christus is de Heer.

LIJDENSVERHAAL

L=lector; A = Allen; + = Christus; P = andere bijbelse perso­nen

Matteus (26,14- 27,66)

L: In die tijd ging één van de twaalf, Judas Iskari­ot gehe­ten, naar de hoge­priester en zei:

P: Wat wilt ge mij geven als ik Hem u in handen speel?

L: Zij betaalden hem dertig zil­ver­lingen uit. En van toen af zocht hij een gunstige gelegen­heid om Hem over te leve­ren. Op de eerste dag van het ongedesemde brood kwa­men de leerlin­gen Jezus vragen:

A: Waar wilt Gij dat wij het paasmaal voor U gereed ma­ken?

L: Hij antwoordde:

+: Gaat naar de stad en zegt aan die en die: De Meester laat weten: Mijn uur is nabij; bij u wil Ik met mijn leerlin­gen het paas­maal hou­den.

L: De leerlingen deden zoals Jezus hun had opgedra­gen en maakten het paasmaal gereed. Toen de avond geval­len was, lag Hij met de twaalf leerlin­gen aan. Onder de maaltijd sprak Hij:

+: Voor­waar, Ik zeg u: een van u zal Mij overleveren.

L: Smarte­lijk getroffen begon de een na de ander Hem te vragen:

P: Ik ben het toch niet, Heer?

L: Hij antwoord­de:

+: Die met Mij zijn hand in de schotel steekt, zal Mij over­le­veren. Wel gaat de Mensenzoon heen, zoals van Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensen­zoon wordt overgeleverd! Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens!

L: Judas, zijn verra­der, nam ook het woord en zei:

P: Ik ben het toch niet, Rab­bi?

L: Hij antwoordde hem:

+: Gij zegt het.

L: Onder de maaltijd nam Jezus brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn leerlingen met de woor­den:

+: Neemt, eet; dit is mijn Li­chaam.

L: Daarna nam Hij de beker en na het spreken van het dank­gebed reikte Hij hun die toe met de woor­den:

+: Dri­nkt allen hieruit. Want dit is mijn Bloed van het Ver­bond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. Maar Ik zeg u: van nu af zal Ik niet meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt tot op de dag waarop Ik met u, nieuw, zal drinken in het Koninkrijk van mijn Va­der.

L: Nadat zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij naar de Olijfberg. Toen sprak Jezus tot hen:

+: In deze nacht zult ge allen aan­stoot aan Mij nemen. Want er staat ge­schre­ven: Ik zal de herder slaan en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden. Maar na mijn verrijze­nis zal ik u voor­gaan naar Galilea.

L: Toen zei Petrus:

P: Al zouden allen aan­stoot aan U nemen, ik nooit.

L: Jezus zeide:

+: Voo­rwaar, Ik zeg u: nog deze nacht voor het kraaien van de haan, zult gij Mij drie­maal verloo­chenen.

L: Petrus ant­woor­de hem:

P: Al moest ik met U sterven, in geen geval zal ik U verloo­che­nen.

L: In diezelfde geest spraken ook al de leerlin­gen. Toen Jezus met hen aan een landgoed kwam dat Getsemane heette, sprak Hij tot zijn leerlin­gen:

+: Blijft hier zitten, terwijl Ik ginds ga bidden.

L: Pe­trus en de twee zonen van Zebedeus nam Hij echter met zich mee. Hij begon bedroefd en be­angst te worden. Toen sprak Hij tot hen:

+: Ik ben bedroefd tot stervens toe. Blijft hier en waakt met Mij.

L: Nadat Hij een weinig verder was ge­gaan, wierp Hij zich plat ter aarde en bad:

+: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbij­gaan. Maar toch: niet zoals Ik wil, maar zoals Gij wilt.

L: Toen ging hij naar zijn leerlingen en vond hen in slaap; en Hij sprak tot Petrus:

+: Ging het dan uw krachten te boven een uur met Mij te waken? Waakt en bidt, dat gij niet op de bekoring ingaat. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.

L: Hij verwij­derde zich voor de tweede keer en weer bad Hij:

+: Vader, als het niet moge­lijk is dat die beker voor­bijgaat zonder dat Ik hem drink: dat dan uw wil geschie­de.

L: En terugge­komen vond Hij hen weer in slaap, want hun oogle­den waren zwaar. Hij liet hen met rust, ging weer heen en bad voor de derde maal, nog­maals met dezelfde woorden. Daarna ging Hij naar zijn leerlingen en sprak tot hen:

+: Slaapt dan maar door en rust uit! Nu is het uur geko­men, waarop de Men­sen­zoon wordt overgeleverd in de handen van zondaars. Staat op, laten we gaan; mijn verrader is nabij.

L: Hij was nog niet uitge­spro­ken, of daar kwam Judas, een van de twaalf, vergezeld van een grote bende met zwaar­den en knuppels, gestuurd door de hoge­priesters en de oudsten van het volk. Zijn verrader had een teken met hen afgesproken door te zeg­gen:

P: Die ik zal kussen, Hij is het; grijpt Hem.

L: Hij ging recht op Jezus af en zei:

P: Gegroet Rabbi,

L: en hij kuste Hem. Jezus sprak tot hem:

+ Vriend, zijt ge daarvoor hier?

L: Toen kwamen zij naar voren, grepen Jezus vast en maak­ten zich van Hem meester. Maar een van Jezus' gezellen greep naar zijn zwaard, trok het en sloeg met een houw de knecht van de hoge­priester het oor af. Toen sprak Jezus tot hem:

+: Steek uw zwaard weer op zijn plaats. Want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. Of meent ge soms dat Ik niet de hulp van mijn Vader kan inroepen, die Mij dan aanstonds meer dan twaalf legioenen engelen ter be­schik­king zou stellen? Maar hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen dat het zo ge­beuren moet?

L: Nu richtte Jezus zich tot de bende:

+: Als tegen een rover zijt ge uitgetrok­ken met zwaarden en knuppels om Mij gevangen te nemen. Dagelijks zat Ik in de tempel te onderrich­ten, en toch hebt ge Mij niet gegrepen. Maar dit alles is ge­schied, opdat de Schriften van de profe­ten in vervulling zouden gaan.

L: Toen lieten alle leerlingen Hem in de steek en namen de vlucht. Nu zij Jezus in hun macht hadden, voer­den zij Hem naar de hogepriester Kaja­fas, waar de schrift­geleerden en de oudsten bijeengekomen waren. Petrus bleef Hem op een afstand volgen tot aan het paleis van de hoge­pries­ter; hij ging naar binnen en zette zich neer bij het dienstvolk om te zien hoe het af zou lopen. De hoge­priester en het hele Sanhedrin zochten naar een schijnge­tui­genis tegen Jezus om hem ter dood te bren­gen. Maar ze vonden er geen, of­schoon er vele valse getui­gen optraden. Ten slotte echter kwamen er twee verklaren:

A: Die man daar heeft beweerd: Ik kan de tempel van God afbreken en in drie dagen weer opbouwen.

L: Toen stond de hogepries­ter op en sprak tot Hem:

P: Geeft Ge geen ant­woord? Wat getui­gen deze mensen tegen U?

L: Maar Jezus bleef zwijgen. Toen sprak de hogepriester tot Hem:

P: Ik bezweer U bij de levende God ons te zeggen of Gij de Christus zijt, de Zoon van God.

L: Jezus gaf hem ten ant­woord:

+: Gij zegt het. Maar Ik zeg U: vanaf nu zult ge de Mensen­zoon zien zitten aan de rechter­hand van de Macht en komen op de wolken des hemels.

L: Toen scheurde de hoge­priester zijn kleed en riep uit:

P: Hij heeft God gelas­terd; waartoe hebben wij nog getui­gen nodig? Gij hebt nu toch de godslastering gehoord! Wat denkt gij daar­van?

L: Zij antwoordden:

A: Hij verdient de dood­straf.

L: Daarop spuw­den zij Hem in het gezicht en sloegen Hem met de vuist; anderen sloegen Hem met een stok, terwijl ze zeiden:

A: Wees nu eens voor ons profeet, Messias: wie is het die U geslagen heeft?

L: Intussen zat Petrus op de open binnen­plaats. Hier trad een dienst­meisje op hem toe en zei:

P: Jij was ook bij Jezus de Galileeër.

L: Maar hij ontken­de het waar allen bij waren en zei:

P: Ik weet niet wat je bedoelt.

L: Hierna ging hij naar het poort­ge­bouw, maar een ander dienstmeisje merkte hem op en zei tot de aanwe­zi­gen:

P: Die daar was bij Jezus de Nazareeër!

L: Hij ontken­de opnieuw met een eed:

P: Ik ken die mens niet.

L: Even daarna kwamen de omstan­ders dichterbij en zeiden tot Petrus:

A: Waarachtig, jij bent er ook een van! Het is duidelijk aan je spraak te horen.

L: Toen begon hij te vloeken en te zwe­ren:

P: Ik ken die mens niet.

L: Onmiddel­lijk daarop kraaide een haan. En Petrus herin­ner­de zich het woord van Jezus die gezegd had: Voor het kraaien van de haan, zult ge Mij driemaal verlooche­nen. Hij ging naar buiten en begon bitter te we­nen.

Bij het aanbreken van de morgen kwa­men alle hoge­pries­ters en oudsten van het volk in vergade­ring bijeen en spra­ken over Jezus het doodvonnis uit Ge­boeid leidde men Hem weg en leverde Hem uit aan de landvoogd Pilatus. Toen Judas, zijn verrader, zag dat Jezus veroor­deeld was, kreeg hij wroe­ging en bracht de dertig zilverlin­gen terug bij de hoge­priesters en ouderlingen met de woor­den:

P: Ik heb misdaan door onschuldig bloed te verra­den.

L: Maar zij ant­woordden:

A: Wat gaat dat ons aan? Dat is uw zaak.

L: Toen gooide hij de zilverlingen in de tempel en liep weg. Hij ging heen en verhing zich. De hoge­priesters raapten de geldstuk­ken op en zeiden:

A: Wij mogen die niet bij de tem­pelschat doen, wat het is bloed­geld.

L: En zij besloten er het land van de pottenbak­ker mee te kopen om daar de vreem­delingen te begraven. Daarom kreeg dit stuk land de naam van Bloedak­ker en zo heet het nog. Al­dus ging in ver­vulling wat de profeet Jeremia gezegd had: Zij namen de dertig zilverlin­gen, de prijs waarop Hij geschat is, geschat is door zonen van Israël, en gaven die voor de akker van de pot­tenbak­ker, zoals de Heer mij opgedragen had.

Jezus werd voor de landvoogd geleid en deze stelde Hem de vraag:

P: Zijt Gij de koning der Joden?

L: Jezus antwoorde:

+: Gij zegt het.

L: Op de beschuldi­gingen door de hogepries­ters en de oudsten tegen Hem ingebracht gaf Hij geen enkel ant­woord. Toen zeide Pilatus tot Hem:

P: Hoort Gij niet wat ze allemaal tegen U inbrengen?

L: Maar Hij gaf hem geen antwoord op welk punt dan ook, zodat de landvoogd hoogst verbaasd was. De landvoogd was gewoon bij elk feest een gevange­ne, naar keuze van het volk, vrij te laten. Men had juist een beruch­te gevange­ne, een zekere Barab­bas. Nu zij daar toch bijeen waren, sprak Pilatus tot hen:

P: Wie wilt ge dat ik u zal vrijla­ten, Barab­bas of Jezus, die Christus genoemd wordt?

L: Hij wist heel goed dat men Hem uit nijd had uitgele­verd. Terwijl hij op zijn rechterstoel gezeten was, stuurde zijn vrouw hem de boodschap:

P: Laat u niet in met deze recht­schapen mens, want ik heb van­nacht in een droom veel om Hem moeten doorstaan.

L: Maar de hogepriesters en de oud­sten haalden het volk over Barab­bas te kiezen en Jezus te doen sterven. De land­voogd nam weer het woord en sprak tot hen:

P: Wie van de twee wilt ge dat ik u vrijlaat?

L: Ze zei­den:

A: Barab­bas!

L: Pilatus vroeg hun:

P: Wat zal ik dan doen met Jezus, die Christus genoemd wordt?

L: Zij riepen allen:

A: Aan het kruis met Hem!.

L: Hij hernam:

P: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?

L: Maar zij schre­euw­den nog harder:

A: Aan het kruis met Hem!

L: Toen Pilatus zag dat hij niets verder kwam, maar dat er veeleer tumult ontstond, liet hij water brengen en waste ten overstaan van het volk zijn handen, terwijl hij verklaarde:

P: Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtschapen man; gij moet het zelf maar verantwoorden.

L: Heel het volk riep terug:

A: Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!

L: Daarop liet hij omwille van hen Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en gaf Hem over om gekruisigd te worden.

Toen namen de solda­ten van de land­voogd Jezus mee in het pretorium en verza­mel­den de hele afdeling rondom Hem Zij trok­ken Hem zijn kleren uit en hingen Hem een rode mantel om. Ook vlochten ze een kroon van doorntak­ken, zetten die op zijn hoofd en gaven Hem een rietstok in de rechter­hand. Dan vielen ze voor Hem op de knieën en bespotten Hem met de woor­den:

A: Gegroet, koning der Joden!

L: Ze bespuwden Hem, pakten de rietstok en sloegen Hem op het hoofd. Nadat zij hun spel met Hem gedreven had­den, ontdeden ze Hem van de mantel, trokken Hem zijn eigen kleren weer aan en voerden Hem weg ter kruisiging.

Toen ze de stad uitgingen ontmoetten ze een Cyreneeër, Simon genaamd en vorder­den hem tot het dragen van Jezus' kruis. Geko­men op een plaats die Golgo­ta genoemd wordt ‑ dat wil zeggen Sche­delplaats ‑ gaven ze Hem met alsem gemengde wijn te drinken; Hij proefde ervan maar wilde niet drinken. Nadat ze Hem gekruisigd hadden, verdeel­den ze zijn kleren onder elkaar door er om te dob­belen; en daar neerge­zeten bleven ze de wacht bij Hem houden. Boven zijn hoofd bracht men een opschrift aan met de reden van zijn veroor­deling: Dit is Jezus, de koning der Joden. Samen met Hem werden ook twee rovers ge­kruisigd, de een rechts, de ander links. Voor­bij­gangers hoonden Hem, terwijl ze het hoofd schud­den en zeiden:

A: Gij daar, die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, red Uzelf; als Gij de Zoon van God zijt, kom dan van dat kruis af!

L: In dezelfde geest zeiden de hogepriesters met de schrift­ge­leerden en oudsten spottend:

A: Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet red­den. Hij is toch de koning van Israël. Laat Hem nu van het kruis afkomen, dan zullen we in Hem geloven. Hij stelt vertrou­wen in God; laat Die Hem nu bevrijden, als Hij behagen in Hem heeft. Hij heeft immers gezegd: Ik ben de Zoon van God!

L: Zelfs de rovers, die samen met Hem gekruisigd waren, voegden Hem soortge­lijke beschim­pingen toe.

Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land, tot aan het negende uur toe. Om­streeks het negende uur riep Jezus met luider stem uit:

+: Eli, Eli, lama sabaktani?

L: dat wil zeggen: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verla­ten? Enke­len van de omstanders die het hoorden, zeiden:

A: Hij roept om Elia!

L: Onmiddellijk daarop ging een van hen een spons halen, stak ze op een rietstok en bood Hem te drinken. Maar de anderen zeiden:

A: Laat dat! Wij willen eens zien of Elia Hem komt redden.

L: Jezus slaakte ander­maal een luide kreet en gaf de geest.

hier knielen allen enige tijd.

L: En zie, het voorhang­sel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën, de aarde beefde en de rotsen spleten. De graven gingen open en de licha­men van vele heilige men­sen die ontslapen waren, stonden op. Na zijn verrijze­nis kwa­men zij uit de graven en gingen naar de heilige stad waar zij aan velen verschenen. De honderdman en die met hem bij Jezus de wacht hielden, werden bij het zien van de aardbe­ving en wat verder ge­beurde door een grote vrees bevangen en zeiden:

A: Waarlijk, Hij was een Zoon van God.

L: Er waren ook vele vrouwen bij, die op een afstand toeke­ken; zij waren Jezus vanuit Galilea gevolgd om voor Hem te zor­gen. Onder hen bevon­den zich Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus en Jozef en de moeder der zonen van Zebe­deus. Toen het avond was geworden kwam een rijk man, een zekere Jozef van Arimatea. die zich ook als leer­ling bij Jezus had aangeslo­ten. Hij was naar Pilatus gegaan en had om het lichaam van Jezus gevraagd. Daarop had Pilatus bevolen het te geven. Jozef nam het li­chaam, wik­kelde het in een smette­loze lijkwade en legde het in zijn graf dat hij pas in de rots had laten uithouwen. Nadat hij een grote steen voor de ingang van het graf ge­rold had, ging hij heen. Maria Mag­dalena en de andere Maria waren erbij en zaten tegenover het graf. De volgende dag, dat is dus na de voorberei­dings­dag, gingen de hoge­priesters en Farizeeën gezamen­lijk naar Pilatus en zeiden:

A: Heer, wij herinneren ons, dat de bedrie­ger, toen Hij nog leefde, gezegd heeft: Na drie dagen zal Ik verrijzen. Geef daarom order de veiligheid van het graf te verzekeren, tot de derde dag toe; zijn leerlin­gen mochten Hem anders eens komen stelen, en aan het volk zeggen: Hij is van de doden verre­zen. Dit laatste bedrog zou nog erger zijn dan het eerste.

L: Pilatus zei hun:

P: Ge kunt een wacht krijgen. Neemt dan maar uw veilig­heidsmaatrege­len zoals gij gedacht hebt.

L: Zij gingen heen en verzekerden de veilig­heid van het graf door de steen te verzegelen en de wacht er bij te plaatsen.

WITTE DONDERDAG

EERSTE LEZING          (Ex.12, 1-8.11-14)

Uit het boek Exodus.

In die dagen richtte de Heer het woord tot Mozes en Aäron in Egypte, en sprak: Deze maand moet gij beschouwen als de begin­maand, als de eerste maand van het jaar. Maak aan heel de gemeen­schap van Israël het volgende bekend. Op de tiende van deze maand moet ie­der gezin een lam uitkiezen, ieder huis een lam. Als een gezin te klein is voor een lam, dan moeten ze, rekening houdend met het aan­tal per­sonen, samen doen met hun naaste buur­man. Bij het ver­delen van het lam moet reke­ning gehouden worden met ieders eetlust. Het lam moet gaaf zijn, van het mannelijk ge­slacht en eenjarig. Ge kunt er een schaap of een geit voor nemen. Ge moet de dieren vast­houden tot aan de veer­tiende van de maand. Dan moet heel de verzamelde ge­meen­schap van Israël ze slachten in de avondschemering. Ver­volgens moet ge wat bloed nemen en dat uitstrijken over de beide deur­posten en over de boven­balk van de deur van alle huizen waar het lam gegeten wordt. In dezelfde nacht moet het vlees gegeten worden, op het vuur gebra­den. Het moet gegeten worden met ongezuurd brood en bittere krui­den. En dit is de wijze waarop gij het lam moet eten: uw lendenen omgord, uw voeten ge­schoeid en uw stok in de hand. Haastig moet ge eten, want het is pasen voor de Heer. Deze nacht zal Ik door Egypte gaan en alle eerst­ge­bore­nen van Egypte, zowel mensen als dieren, zal Ik slaan. Aan alle goden van Egypte zal Ik het vonnis vol­trek­ken. Maar het bloed aan de huizen zal een teken zijn, dat gij daar woo­nt. Als Ik het bloed aan uw huizen zie, zal Ik u voorbij­gaan. Geen vernieti­gende plaag zal u treffen als Ik Egypte sla. Deze dag zal Ik tot een ge­denkdag maken, ge moet hem vieren als een feest ter ere van de Heer. Van geslacht tot geslacht moet ge hem als een eeuwige instel­ling vieren.

TUSSENZANG  Psalm 116

REFREIN: Geeft niet de beker der zegening de wij zegenen gemeenschap met het bloed van Christus?

Hoe kan ik mijn dank betuigen voor al wat de Heer mij gaf? Ik hef de offerbeker,

de Naam van de Heer roep ik aan.

Want kostbaar is in zijn ogen het leven van wie Hem vereert. O Heer, ik ben uw dienaar,

uw knecht, Gij hebt mijn boeien geslaakt.

Met offers zal ik U loven, de Naam van de Heer roep ik aan. Ik zal mijn geloften volbrengen

waar heel zijn volk het ziet.



TWEEDE LEZING         (1 Kor.11,23-26)

Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.

Broeders en zusters, zelf heb ik immers van de Heer de overleve­ring ontvangen die ik u op mijn beurt heb doorgege­ven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij werd overgele­verd, brood nam, en na gedankt te hebben, het brak en zeide: "Dit is mijn lichaam voor u. Doet dit tot mijn gedachtenis." Zo ook na de maaltijd de beker, met de woorden: "Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed. Doet dit, elke keer dat gij hem drinkt, tot mijn gedachtenis." Telkens als gij dit brood eet en de beker drinkt, verkon­digt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.

VERS VOOR HET EVANGELIE

Een nieuw gebod geef ik U, zegt de Heer, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad.

EVANGELIE     (Joh.13,1-15)

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Het paasfeest was op handen. Jezus, die wist dat zijn uur geko­men was om uit deze wereld over te gaan naar de Vader, en die de zijnen in de wereld bemind had, gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste. Onder de maal­tijd, toen de duivel reeds aan Judas Is­kariot, de zoon van Simon, het plan had inge­geven om Hem over te leveren, stond Jezus van tafel op. In het bewust­zijn, dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde, legde Hij zijn boven­kleren af, nam een linnen doek en omgordde zich daar­mee. Daarop goot Hij water in het wasbekken en begon de voeten van zijn leerlingen te wassen en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen. Zo kwam Hij bij Simon Petrus, die echter tot Hem zei: Heer, wilt Gij mij de voeten wassen? Jezus gaf hem ten antwoord: Wat Ik doe be­grijpt ge nu nog niet, maar later zult gij het inzien. Toen zei Petrus tot Hem: nooit in der eeuwig­heid zult Gij mij de voeten wassen! Jezus antwoordde hem: als gij u niet door Mij laat wassen, kunt gij mijn deelgenoot niet zijn. Daarop zei Simon Petrus tot Hem: Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en hoofd. Maar Jezus ant­woordde: wie een bad heeft genomen, behoeft zich niet meer te wassen, hij is immers helemaal rein. Ook gij zijt rein, ofschoon niet allen. Hij wist immers wie Hem zou over­leveren. Daarom zei Hij: niet allen zijt gij rein. Toen Hij dan hun voeten had gewassen, zijn boven­kleren had aangetrokken en weer aan tafel was gegaan, sprak Hij tot hen: Begrijpt gij wat Ik u ge­daan heb? Gij spreekt Mij aan als Leraar en Heer, en dat doet gij terecht, want dat ben Ik. Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook Gij elkaar de voeten te wassen. Ik heb u een voorbeeld ge­geven, opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb.

GOEDE VRIJDAG/HERDENKING VAN HET LIJDEN EN STERVEN VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS.

EERSTE LEZING          (Jes.52, 13- 53,12)

Uit de profeet Jesaja

Zie, mijn dienaar zal succesvol handelen. Hij zal wor­den ver­hoogd en verheven en zeer ver­heerlijkt. Zoals velen over Hem ontsteld heb­ben gestaan zo misvormd was hij, zo onmense­lijk van voorkomen en zijn schoon­heid beneden die van mensenkin­deren. Zo zal hij vele vol­keren slaan met verbazing, koningen zullen hun mond voor hem sluiten, want wat hun niet verteld is aanschouwen zij en wat zij niet hebben gehoord, zien zij in. Wie kon geloven wat wij hebben gehoord. En over wie is de arm van de Heer zicht­baar geworden? Hij is opge­rezen als een alleen­staande loot en als een wortel uit de dorre grond: hij had ge­stalte noch luister, zodat wij naar hem konden zien, geen voorkomen, zodat wij hem zouden kunnen begeren. Veracht en door de men­sen verstoten, Man van smarten en door lijden gerijpt; als een die zijn gelaat voor ons heeft verborgen, veracht en door ons niet geteld. Toch waren het onze pijnen die hij droeg en onze smar­ten die hij op zich nam. Wij daarente­gen be­schouwden hem als een getrof­fene, als iemand die door God is geslagen en verne­derd. Hij is echter doorboord om onze zonden, mishandeld om onze misdaden, want op hem rust de straf voor ons heil en door zijn striemen is er genezing voor ons. Wij allen dwaalden als een kudde, ieder ging zijn eigen weg; de Heer liet op hem neerko­men de misdaad van ons al­len. Men mishandelde hem en hij heeft het aanvaard, hij heeft zijn mond niet geopend. Als het lam dat naar de slachtbank geleid wordt en als het schaap dat voor zijn scheer­der verstomt, zo heeft hij zijn mond niet geopend. Door een gewelddadige rechtspraak is hij weggerukt. Wie is er nog die denkt aan zijn leven? Hij is immers weggenomen uit het land der levenden, om de zonden van mijn volk tot de dood toe geslagen. Men geeft hem een graf bij de mis­dadigers en bij de rijken een rust­plaats ofschoon hij geen onrecht gepleegd heeft en er geen bedrog is geweest in zijn mond. Het heeft de Heer behaagd hem met sla­gen te pijnigen. Al brengt hij zich­zelf ten offer toch zal hij een nageslacht zien, zijn dagen verlengen en de wens van de Heer zal door zijn hand vervuld worden. Om zijn zwoe­gen zal hij licht zien en worden verzadigd. Door zijn inzicht zal mijn dienaar als recht­vaardige velen recht­vaardigen en hun misdaden zal hij op zich laden. Daarom zal Ik hem deel geven onder de groten, en met machti­gen zal hij de buit verdelen omdat hij zijn ziel prijs gaf aan de dood en onder de zondaars gerekend is. Hij draagt immers de zonden van velen en is voor de zondaars een voorspraak.



TUSSENZANG  (psalm 31)

REFREIN: Vader, in uw handen beveel ik mijn geest.

Bij U, Heer, zoek ik mijn toevlucht, stel mij toch nimmer teleur. Ver­trouwvol leg ik mijn geest in uw handen, Gij zult mij beschermen, getrouwe God.

Mijn vijanden drijven de spot met mij, mijn buren lachen mij uit. Men is mij vergeten als was ik dood,

ik ben gebroken als huisraad.

Toch blijf ik op U vertrouwen, Heer, steeds zeg ik: Gij zijt mijn God. Gij hebt mijn lot in uw hand, bevrijd mij van mijn vervolgers.

Laat over uw dienaar uw Aanschijn stralen, red mij door uw genade. Schept moed en weest onverschrokken, gij allen die hoopt op de Heer.

TWEEDE LEZING         (Hebr.4, 14-16;5,7-9)

Uit de brief aan de Hebreeën.

Broeders en zusters, nu wij een verheven ho­gepriester hebben, een die de hemelen is doo­rgegaan, Jezus, de Zoon van God, nu moeten wij vasthouden aan onze belijdenis. Want wij hebben een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakhe­den. Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde. Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade, om barmhar­tig­heid en genade te verkrijgen en tijdige hulp. In de dagen van zijn ster­felijk leven heeft Hij onder luid geroep en geween gebe­den en sme­kingen opgedragen aan God die Hem uit de dood kon redden. Om zijn vroomheid is Hij ver­hoord: hoewel Hij Gods Zoon was heeft Hij in de school van het lijden gehoor­zaamheid ge­leerd; en toen Hij het einde had bereikt is Hij voor allen die Hem gehoorzamen oorzaak geworden van eeuwig heil.

LIJDENSVERHAAL VOLGENS JOHANNES      (Joh.18,1-19,42)

L: In die tijd ging Jezus met zijn leer­lingen naar buiten, naar de overkant van de beek Kedron. Daar was een boom­gaard die Hij met zijn leer­lingen bin­nen­ging. Maar ook Judas, die Hem zou overleveren kende deze plaats omdat Jezus er dikwijls met zijn leer­lingen was samen­gekomen. Zo kwam Judas daar­heen met een afdeling sol­daten en met dienaars van de hoge­priesters en fari­zeeën, voorzien van lantaarn, fakkels en wa­pe­ns. Jezus, die alles wist wat over Hem ging komen, trad naar voren en zei tot hen:

+: Wie zoekt gij?

L: Zij antwoorden Hem:

A: Jezus de Nazoreeër.

L: Jezus zei hun:

+: Dat ben Ik.

L: Ook Judas, zijn verrader, bevond zich bij hen. Nauwe­lijks had Jezus hun ge­zegd: Dat ben Ik, of zij weken achter­uit en vielen op de grond. Nog eens vroeg Hij hun:

+ :Wie zoekt gij?

L: Zij zeiden:

A: Jezus de Nazoreeër.

L: Jezus antwoordde:

+: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Als gij Mij zoekt, laat deze mensen dan gaan.

L: Vervuld moest worden wat Hij gezegd had: Nie­mand van hen die Gij Mij gege­ven hebt liet Ik verloren gaan. Maar Si­mon Petrus had een zwa­ard bij zich. Hij trok het en ver­wondde daar­mee de knecht van de ho­gepriester door hem het rechter­oor af te slaan. De naam van die knecht was Malchus. Jezus echter sprak tot Petrus:

+: Steek dat zwaard in de sche­de; zou Ik de beker niet drinken die mijn Vader Mij gegeven heeft?

L: De afdeling met de bevelheb­ber en de dienaars van de Jo­den grepen toen Jezus vast, boeiden Hem en brachten Hem eerst naar Annas. Deze was namelijk de schoon­vader van Kajafas, die dat jaar hogepries­ter was, dezelf­de Kajafas die aan de Joden de raad had gege­ven: het is beter dat één mens sterft voor het volk. Simon Pe­trus en nog een andere leerling volg­den Jezus. Die leerling nu was een bekende van de hoge­priester en zo ging hij tegelijk met Jezus het pa­leis van de hogepriester binnen, ter­wijl Petrus buiten de poort bleef staan. Die andere leer­ling, de beken­de van de hogepriester, kwam naar buiten, sprak met de portier­ster en bracht Pe­trus naar binnen. Het meisje dat aan de poort stond vroeg Petrus:

A: Ben jij ook niet een van de leerlin­gen van die man?

L: Hij zei:

A: Neen, dat ben ik niet.

L: Omdat het koud was hadden de knechten een houtskool­vuur aange­legd en stonden zich te warmen. Ook Petrus stond bij hen en warmde zich. De hoge­priester onder­vroeg Jezus over zijn leer­lingen en zijn leer. Jezus ant­woordde hem:

+: Ik heb openlijk tot de wereld ge­spro­ken. Ik heb altijd onder­richt gege­ven in de synagoge of in de tempel waar alle Joden bijeen­komen en er is niets wat Ik in het geheim heb ge­sproken. Waar­om ondervraagt gij Mij? Ondervraag de mensen die gehoord hebben wat Ik hun heb verkon­digd, Die weten goed wat Ik heb gezegd.

L: Op dit woord gaf een van de die­naars die naast Hem stond Jezus een klap in het gezicht en goe­de Hem toe:

A: Antwoordt Gij zo de hoge­priester?

L: Jezus antwoordde hem:

+: Indien Ik iets verkeerd ge­zegd heb ver­klaar dan wat er ver­keerd in was; maar indien het goed was, waarom slaat gij Mij?

L: Daarop zond Annas Hem geboeid naar de hoge­priester Kaja­fas. Simon Petrus stond zich te war­men toen iemand hem vroeg:

A: Ben jij ook niet een van zijn leer­lin­gen?

L: Hij ontkende het en zei:

A: Welnee.

L: Maar een van de knechten van de hoge­priester, een bloed­ver­want van de man wie Petrus het oor had afge­slagen, zei:

A: Heb ik je niet in de boom­gaard bij Hem gezien?

L: Petrus ontkende het opnieuw en meteen begon er een haan te kraaien.

Toen brachten ze Jezus van het huis van Kajafas naar het preto­ri­um. Het was vroeg in de mor­gen. Zelf gingen zij het pretori­um niet binnen want ze moes­ten het paasmaal kunnen eten en mochten zich daarom niet ver­ontreinigen. Daarom kwam Pila­tus naar buiten en vroeg hun:

A: Welke beschuldiging brengt gij in tegen deze man?

L: Zij gaven hem ten antwoord:

A: Als dit geen misdadiger was zou­den wij Hem niet aan u heb­ben over­geleverd.

L: Daarop zei Pilatus:

A: Neemt Hem dan zelf en vonnist hem vol­gens uw Wet!

L: De Joden antwoordden hem:

A: Wij Missen het recht iemand ter dood te bren­gen.

L: Zo zou Jezus' woord in ver­vulling gaan waarmee Hij had aange­duid welke dood Hij zou sterven. Nu ging Pilatus het pretorium binnen, riep Jezus bij zich en zei tot Hem:

A: Zijt Gij de koning der Joden?

L: Jezus antwoordde hem:

+: Zegt gij dit uit uzelf of heb­ben ande­ren u over Mij gespro­ken?

L: Pilatus gaf ten antwoord:

A: Ben ik soms een Jood? Uw eigen volk en de hogepries­ters hebben u aan mij over­geleverd. Wat hebt Gij ge­daan?

L: Jezus antwoordde:

+: Mijn koningschap is niet van deze we­reld. Zou mijn koning­schap van deze wereld zijn dan zou­den mijn die­naars er wel voor gestreden heb­ben dat Ik niet aan de Joden werd uitgele­verd. Mijn koningschap is eve­nwel niet van hier.

L: Pilatus hernam:

A: Gij zijt dus toch koning?

L: Jezus antwoordde:

+: Ja, koning ben Ik. Hiertoe ben Ik gebo­ren en hiertoe ben Ik in de we­reld ge­komen om getuige­nis af te leggen van de waarheid. Alwie uit de waar­heid is luistert naar mijn stem.

L: Pilatus zei tot Hem:

A: Wat is waarheid?

L: Na die woorden ging hij weer naar bui­ten tot de Joden en zei:

A: Ik vind hoegenaamd geen schuld in Hem. Maar er be­staat onder u een gewoonte dat ik met Pasen iemand vrijlaat. Wilt gij dus dat ik de koning der Joden vrijlaat?

L: Toen begonnen ze opnieuw te schreeuwen:

A: Neen, Die niet maar Barab­bas!

L: Barabbas was een rover.

L: Toen liet Pilatus Jezus gese­len. De soldaten vloc­hten een kroon van doorn­takken, zetten Hem die op het hoofd en wier­pen Hem een purpe­ren mantel om. Ze traden op Hem toe en zeiden:

A: Gegroet, koning der Joden!

L: En zij sloegen Hem in het gezicht.

Pilatus ging weer naar buiten en zei tot hen:

A: Ziehier, ik breng Hem naar buiten om u te doen weten dat ik vol­strekt geen schuld in Hem vind.

L: Jezus kwam dus naar buiten terwijl Hij nog de doornen­kr­oon en de pur­peren man­tel droeg. Pilatus zei tot hen:

A: Ziehier de mens.

L: Maar toen de hogepriesters en hun die­naars Hem zagen schre­euw­den ze:

A: Kruisigen, kruisigen!

L: Pilatus zei hun:

A: Neemt gij Hem dan en krui­sigt Hem want ik vind geen schuld in Hem.

L: De Joden antwoordden hem:

A: Wij hebben een Wet en volgens die Wet moet Hij ster­ven omdat Hij zich voor Gods Zoon heeft uitgege­ven.

L: Toen Pilatus dit hoorde werd hij nog meer be­vreesd. Hij ging het pre­torium weer binnen en sprak tot Je­zus:

A: Waar zijt Gij vandaan?

L: Jezus gaf hem echter geen ant­woord. Daarom zei Pilatus:

A: Gij spreekt niet tegen mij? Weet Ge dan niet dat ik de macht heb om vrij te spreken maar ook de macht heb U te kruisigen?

L: Jezus antwoordde:

+: Gij zoudt volstrekt geen macht over Mij hebben als u die niet van boven gegeven was. Daarom is de zonde van hem die Mij aan u heeft overge­le­verd groter.

L: Van dit ogenblik af wilde Pilatus ertoe overgaan Hem vrij te laten. Maar de Joden schree­uwden:

A: Als ge die man vrijlaat zijt ge geen vriend van de keizer. Wie zich voor koning uitgeeft komt in verzet tegen de keizer.

L: Toen Pilatus dit hoorde roe­pen liet hij Jezus naar buiten bren­gen en ging op de rechter­stoel zitten, op de plaats die Litostrotos heet, in het He­breeuws Gab­bata. Het was de voorbe­reidings­dag voor Pasen, onge­veer het zesde uur. Hij zei tot de Joden:

A: Hier is uw koning.

L: Maar zij schreeuwden:

A: Weg, weg met Hem! Kruisig Hem!

L: Pilatus vroeg:

A: Zal ik dan uw koning kruisi­gen?

L: De hogepriesters antwoord­den:

A: Wij hebben geen andere koning dan de keizer!

L: Toen leverde hij Hem aan hen over om de kruis­dood te onder­gaan, en zij namen Hem over.

L: Zelf zijn kruis dragend trok Jezus de stad uit naar wat de Sche­del­plaats heet, in het He­breeuws Golgota. Daar sloegen zij Hem aan het kruis, en met Hem nog twee anderen, aan elke kant één en Jezus in het midden. Pila­tus had ook een opschrift laten maken en op het kruis laten aan­brengen. Het luidde: Jezus, de Nazoreë­r, de ko­ning van de Joden. Vele Jo­den lazen dit op­schrift, want de plaats waar Jezus gekruisigd werd lag dicht bij de stad. Het stond er in het He­breeuws, het Latijn en het Grieks. De hoge­priesters van de Joden nu zei­den tot Pilatus:

A: Ge moest er niet op zetten: "de koning van de Joden" maar: "Hij heeft gezegd: Ik ben de koning van de Jo­den".

L: Pilatus antwoordde:

A: Wat ik geschreven heb, heb ik geschre­ven.

L: Toen de soldaten Jezus ge­kruisigd had­den, na­men ze zijn kleren en deelden ze in vieren, voor iedere soldaat een deel. Ze namen ook de lijfrok die ech­ter zonder naad was, aan één stuk gewe­ven van bovenaf. Daarom zeiden ze tot elkaar:

A: Laten we die niet scheuren maar er om loten wie hem krijgt.

L: Aldus moest de Schrift ver­vuld worden: Zij ver­deelden mijn kleren onder elkaar en dobbelden om mijn gewaad.

Terwijl de soldaten hiermee bezig waren stonden bij Jezus' kruis zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria, de vrouw van Klopas, en Mari­a Magdale­na. Toen Jezus zijn moeder zag en naast haar de leerling die Hij liefhad zei Hij tot zijn moe­der:

+: Vrouw, zie daar uw zoon.

L: Vervolgens zei Hij tot de leerling:

+: Zie daar uw moeder.

L: En van dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich in huis.

Hierna, wetend dat nu alles was vol­bracht zei Jezus, opdat de Schrift ver­vuld zou worden:

+: Ik heb dorst.

L: Er stond daar een kruis vol zure wijn. Ze doopten er een spons in, staken die op een hysopstengel en brach­ten die aan zijn mond.

L: Toen Jezus van de zure wijn geno­men had, zei Hij:

+: Het is volbracht.

L: Daarop boog Hij het hoofd en gaf de geest.

(enige ogenblikken stilte voor gebed: allen knielen)

L: Aangezien het voorberei­dingsdag was en de Joden niet wilden dat de lichamen op sabbat aan het kruis bleven - het was boven­dien een grote sabbat - vroegen zij aan Pilatus verlof de benen van de gekrui­sigden te breken en hen weg te nemen. Daar­om kwamen de soldaten en sloegen zowel bij de ene als bij de andere die met Hem gekruisgd waren de benen stuk. Toen zij echter bij Jezus kwa­men en zagen dat Hij reeds dood was sloe­gen zij Hem de benen niet stuk, maar een van de soldaten door­stak zijn zijde met een lans; terstond kwam er bloed en water uit. Die het gezien heeft getuigt hier­van; zijn getui­genis is waar en hij weet dat hij de waarheid zegt, opdat ook gij zoudt gelo­ven. Dit is gebeurd opdat de Schrift vervuld zou worden: Van zijn ge­beente zal niets worden verbrijzeld, terwijl nog een ander Schrif­twoord zegt: Zij zullen opzien naar Hem die zij hebben doorsto­ken.

Jozef van Arimatea, die een leerling was van Jezus maar in het geheim uit vrees voor de Jo­den, vroeg daarna aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen. Toen Pilatus dit had toege­staan ging hij dus heen en nam het li­chaam weg.

Nikodemus, die Hem vroeger 's nac­hts be­zocht had, kwam ook en bracht een mengsel van mirre en aloë mee, ongeveer honderd pond. Zij namen het lichaam van Jezus en wikkelden het met de welriekende kruiden in zwach­tels, zoals bij een Joo­dse begra­fenis gebruikelijk is. Op de plaats waar Hij gekrui­sigd werd lag een tuin en in die tuin een nieuw graf waarin nog nooit iemand was neergelegd. Vanwege de voor­berei­dings­dag van de Joden en omdat het graf dichtbij was legden zij Jezus daarin neer.

Archief preken