Kies uw kerk

Preek van de week

Bezinning door het jaar - 25e zondag door het jaar A - 19 en 20 september 2026

OVERWEGING 25E ZONDAG DOOR HET JAAR

Het is mij meerdere malen overkomen, dat als je de naam van iemand in lovende zin gebruikte en zei: 'dat is toch ‘nen aardige mens' dat er dan iemand zei: ja maar, die is in de oorlog fout geweest, weet u dat niet. Of: ja die heeft indertijd ook moeten trouwen. Nou, die heeft wat afgeboemeld in zijn jonge jaren. Eigenlijk allemaal opmerkingen die willen zeggen: hij is toch niet zo goed als je denkt. Allemaal met de gedachte erbij: ik ben niet fout geweest in de oorlog, ik heb niet hoeven te trouwen, ik heb altijd netjes opgepast: dus ik ben beter dan die ander.

Dat soort rechtvaardigheidsschema’s hanteren wij, bewust of onbewust. En we vinden eigenlijk, dat God maar hetzelfde moet doen. Dat al die dingen moeten tellen bij de eindafrekening van ons leven: dat wij die altijd geprobeerd hebben goed christen te zijn met alle moeite en inspanning van dien toch m minstens hoger in de hemel dienen te komen dan zij, die een groot gedeelte van hun leven maar aan getamboerd hebben.

En dan schrikken we toch een beetje, denk ik, bij de lezingen van deze zondag, waar in de eerste lezing heel nadrukkelijk staat: uw gedachten zijn niet mijn gedachten, mijn wegen niet uw wegen, is de godsspraak van de Heer. Niet loon naar werken, zoals wij mensen dat begrijpen, geen kwestie van een cao tussen God en de mensen, geen boekhoudkundig afwegen van goede en slechte daden: geen credit- en debetzijde in de goddelijke boekhouding: die opgeteld en afgetrokken het loon of de straf bepalen.

Is God dan niet rechtvaardig, beloont Hij dan niet het goede en bestraft Hij dan niet het kwade, zoals we in de catechismus geleerd hebben. Jawel, Hij beloont het goede en straft het kwade: maar voor het goede, voor het je toewenden naar God is het tot aan de avond van het leven niet te laat. Hij blijft alle mensen roepen op ieder tijdstip van de dag, in iedere fase van je leven. En ben je soms in je jeugd op de markt van de wereld blijven staan, omdat je van God niet wist of wilde weten, dan roept hij je ook nog in zijn wijngaard, in zijn rijk op je levensavond. En geef je dan gehoor, bekeer je je tot Hem, dan heb je recht op loon, net als al zijn kinderen.

De parabel van de arbeiders in de wijngaard lijkt op de parabel van de verloren zoon, die terugkomt naar zijn vader na alles verboemeld te hebben en die dan toch door de vader weer hetzelfde behandeld wordt als zijn oudste zoon, die altijd braaf is geweest en hard heeft gewerkt. Gods rechtvaardigheid is immers doordrongen van liefde. Een liefde die je het best kunt begrijpen als je ouders bent van wie een van de kinderen een verkeerde weg is ingeslagen en van huis is weggelopen. Je kunt het contact niet herstellen als de ander niet wil, maar je hoopt en je bidt, dat je kind zal terugkomen. En de liefde voor dat kind zal je als het ware dwingen om, als hij terugkeert, het verleden te vergeten en hem te behandelen precies zoals je je andere kinderen behandelt, misschien zelfs met een nog grotere liefde.

Zo is God voor de mensen. Dat is zijn rechtvaardigheid. Als mensen zich naar hem toewenden op welke leeftijd dan ook en na wat voor verleden dan ook, dan vergeeft Hij, begraaft het verleden volkomen en biedt toekomst. Als wij christenen willen zijn, zullen wij God in deze liefde moeten navolgen: dan zullen wij ten opzichte van elkaar het verleden moeten begraven, mensen beoordelen op wat ze nu zijn, vergeven en vergeten. En daarbij bedenken, dat het misschien een even grote prestatie is van een foute levensweg terug te keren dan om altijd netjes in de pas te blijven lopen.

https://mennenpr.nl/vijfentwintigste-zondag-door-het-jaar-a/




VIJFENTWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR

EERSTE LEZING          Jes., 55, 6-9 

Uit de Profeet Jesaja 

Zoekt de Heer nu Hij zich laat vinden, roept Hem aan nu Hij nabij is. De ongerechtige moet zijn weg verlaten, de zondaar zijn gedachten; hij moet naar de Heer terugkeren - de Heer zal zich erbarmen - terug naar onze God, die altijd wil vergeven. Uw gedachten zijn nu eenmaal niet mijn gedachten, mijn wegen niet uw wegen - is de godsspraak van de Heer - maar zoals de hemel hoog boven de aarde is, zo hoog gaan mijn wegen uw wegen te boven en mijn gedachten uw gedachten.

 

TUSSENZANG Ps. 145 (144), 2-3, 8-9, 17- 18

 

REFREIN: Nabij is de Heer voor elk die Hem aanroept.

 

U wil ik prijzen iedere dag, uw naam verheerlijken voor altijd.

 

De Heer is groot en alle lof waardig, zijn grootheid is niet te doorgron­den.

 

De Heer is vol liefde en medelijden, lankmoedig en zeer goedgunstig.

 

De Heer is bezorgd voor iedere mens, barmhartig voor al wat Hij maakte.

 

De Heer is rechtvaardig op al zijn wegen, en heilig in al wat Hij doet.

 

Nabij is de Heer voor elk die Hem aanroept, voor elk die oprecht tot Hem bidt.  


TWEEDE LEZING          Fil 1, 20c-24. 27a
Broeders en zusters, of ik leven moet of sterven, Christus zal in mij
verheerlijkt worden. Voor mij toch is het leven Christus en het sterven 

een winst. Maar blijf ik leven, dan wacht mij vruchtbare arbeid.
Daarom weet ik niet wat ik moet kiezen. Ik word naar twee kanten
getrokken: ik verlang heen te gaan om met Christus te zijn, want dat
is verreweg het beste. Maar voor u is het nuttiger dat ik nog hier blijf.
Alleen, gij moet een leven leiden dat het evangelie van Christus
waardig is.



EVANGELIE     Mt., 20, 1-16a   

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 

In die tijd vertelde Jezus aan zijn leerlingen de volgende gelijkenis: "Met het Rijk der hemelen is het als met een landeigenaar die vroeg in de morgen uitging om arbeiders te huren voor zijn wijngaard. Hij werd het met de arbeiders eens voor een denarie per dag en stuurde ze naar zijn wijngaard. Rond het derde uur ging hij er weer op uit en zag nog anderen werkeloos op de markt staan. En hij zei tot hen: Gaat ook naar mijn wijngaard en ik zal u geven wat billijk is. En zij gingen. Rond het zesde en negende uur ging hij nog eens uit en deed hetzelfde. Rond het elfde uur ging hij opnieuw uit en vond er weer anderen staan. Hij zei tot hen: "Wat staat ge hier de hele dag werkeloos?" Ze antwoordden hem: "Niemand heeft ons gehuurd". Daarop zei hij tot hen: "Gaat ook gij naar mijn wijngaard." Bij het vallen van de avond sprak de eigenaar van de wijngaard tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders en betaal hen uit, te beginnen met de laatsten en zo tot de eersten. Toen de arbeiders van het elfde uur kwamen, kregen zij elk een denarie; toen nu ook de eersten kwamen, meenden dezen dat zij meer zouden krijgen, maar ook zij kregen ieder de overeengekomen denarie. Ze namen hem wel aan, maar begonnen tegen de landeigenaar te morren en zeiden: Dezen hier, die het laatst gekomen zijn, hebben maar een uur gewerkt en gij stelt ze gelijk met ons die de last van de dag en de brandende hitte hebben gedragen. Maar hij antwoordde een van hen: "Vriend, ik doe u toch geen onrecht? Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarie? Neem wat u toekomt en ga heen. Ik wil aan degene die het laatst gekomen is, evenveel geven als aan u. Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben? Zo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn."



Archief preken