Kies uw kerk

Preek van de week

2019-09-29. Doen naar vermogen

        26ste zondag door het jaar, C

Eerste lezing: Amos 6, 1-7

Evangelie : Lucas 16, 19-31

 

Daar zijn we vanochtend toch niet voor naar de kerk gekomen, om een donderpreek te horen van de profeet Amos en ook niet voor de pittige toespraak uit het Lucas- evangelie! Deze weinig vrolijke passages uit Amos riepen onmiddellijk andere gedachten bij mij op. Om er een van te noemen: ‘de rijken die de lammeren en de kalveren opeten’. Als je je toekomst op eet, want dat zijn de lammeren en de kalveren, dan heb je voor straks niets meer over. Dat is wat wij doen met onze aarde. Onze overproductie en weggooimaatschappij put de aarde uit, zodat ze niets meer over heeft voor een toekomstige generatie. Amos wist dit al, 800 jaar voor de geboorte van Christus! 3000 jaar geleden.

Het is veelzeggend dat de rijke uit de evangelietekst geen naam heeft. In tegenstelling tot de gestorven bedelaar die aan Abrahams zijde rust. Zijn naam is Lazarus. Wat niet ‘ladderzat’ betekent, maar: ‘God heeft geholpen’. De rijke man in het dodenrijk is naamloos, want hij is niet tot werkelijk bestaan gekomen. Hij heeft geen bestaan voor Gods oog en verkeert daardoor bij leven al in het Niemandsland. Wie alleen zijn eigen belang dient, alleen met zichzelf bezig is, is afgesneden van het Godsrijk. Hij kijkt in de spiegel en ziet alleen zijn eigen gezicht.

Wie zo'n beperkt blikveld heeft, merkt degenen die in nood verkeren niet op. En kent ook hun namen niet. Net zoals de rijke uit het evangelie de bedelaar bij zijn huis niet eens opmerkte. Ja, hij zag hem wel, maar dan meer als een soort straatmeubilair. Hij zag niet dat het gezicht van Lazarus net zo’n menselijk gezicht had, als dat van hemzelf. Hij heeft misschien wel eens een vluchtige gedachte gehad: ‘O ja, Lazarus. God helpt hem wel’.

Dat dodenrijk waar in het evangelievoorbeeld van gesproken wordt, geeft eigenlijk aan dat de rijke afgesneden was van het Godsrijk. Hij besteedt de verantwoordelijkheid voor zijn medemens uit aan een verre God. Verkeren in het dodenrijk of het Niemandsland, wil zeggen dat je in de wereld geworpen bent maar niet tot werkelijk bestaan gekomen bent. Je hoeft dus niet eerst dood te gaan om in het Niemandsland te verkeren.

De rijke man en de arme Lazarus

De rijke man en de arme Lazarus

Wat mogen wij meenemen? Het werkelijke bestaan heeft van doen met het Godsrijk en dat Godsrijk wordt gevestigd door het doen van Wet en profeten. Zoals Jezus het ons bij monde van Abraham voorhoudt. Abraham zegt tegen de rijke in het dodenrijk: ‘laten je broers luisteren naar Mozes en de profeten’. Mensen, luisteren betekent hier ook doen. Het doen is een scheppingsdaad aan de ander en aan onszelf. De boodschap is dat arm en rijk naar dit gebod kunnen handelen. Ieder naar haar/zijn eigen vermogen.

 

Amen

Afbeelding: De rijke man en de arme Lazarus

        Door: Hendrick ter Brugghen (1588 – ca 1629)

Datum: ca. 1625

Afmetingen: 160,0 x 207,5 cm

Techniek: Olieverf op doek

Locatie: Centraal Museum, Utrecht



De rijke man en de arme Lazarus behoort tot de grote historiestukken die Ter Brugghen in zijn laatste Utrechtse jaren schilderde. De periode kenmerkt zich door sterke licht-donker contrasten, grote, massieve en driedimensionale vormen en sombere, ongebroken kleuren. Om de compositie meer ruimte te geven in het beeldvlak is op een later moment aan de bovenzijde een strook toegevoegd van ongeveer dertig centimeter.

Volgens sommigen staat de rijke man voor de joodse geestelijke leiders. Purperen gewaden werden in Jezus' tijd gedragen door koningen, fijn linnen door priesters. Met de honden die de zweren likken zouden de heidense buurvolkeren bedoeld worden (honden worden door joden als onrein beschouwd).

Amos 6, 1. 4-7

Wee u, zorgelozen in Sion, zelfverzekerden op de berg van Samaria; notabelen van dat weergaloze volk, tot wie het huis Israël zich wendt.
Zij liggen op ivoren bedden en strekken zich uit op hun rustbanken; zij eten de lammeren van de kudde en de kalveren uit de stal op; zij verzinnen liederen bij het getokkel van de harp en denken dat hun instrument dat van David evenaart; zij drinken wijn uit brede schalen en zalven zich met de beste olie, maar om de ondergang van Jozef treuren ze niet. Daarom gaan nu zij als eersten in ballingschap, en is het gedaan met de feesten van hen die daar lui liggen uitgestrekt.

Evangelie: Lucas 16, 19-31

        Lazarus en een rijke man
Er was een rijk man, die gekleed ging in purper en het fijnste linnen, en elke dag uitbundig feestvierde. Aan zijn poort lag een zekere Lazarus; hij was arm en zat onder de zweren. Hij had graag zijn honger gestild met wat er van de tafel van de rijke op de grond viel, maar nee, de honden kwamen en likten aan zijn zweren. Toen kwam de arme te sterven; de engelen droegen hem in de schoot van Abraham.
Ook de rijke stierf, en werd begraven. In het dodenrijk sloeg hij gekweld door pijn zijn ogen op en zag van verre Abraham met Lazarus in zijn schoot. “Vader Abraham,” riep hij, “heb medelijden met me; stuur Lazarus om de toppen van zijn vingers nat te maken met water, en er mijn tong mee te verkoelen, want ik lijd hevig in dit vuur.” Maar Abraham zei: “Kind, vergeet niet dat jij het heel je leven goed hebt gehad en Lazarus altijd slecht; nu wordt hij hier getroost, en jij lijdt pijn. Bovendien, er gaapt tussen ons en jullie een diepe kloof; al zou iemand van hier naar jullie willen oversteken, hij zou het niet kunnen; evenmin kan iemand van daar naar ons komen.” Maar de rijke zei: “Dan, vader, vraag ik u hem naar mijn ouderlijk huis te sturen, want ik heb nog vijf broers. Laat hij hen gaan waarschuwen, zodat zij niet eveneens terechtkomen in dit oord van pijn.” Maar Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de Profeten; daar moeten ze naar luisteren.”
Maar hij zei: “Nee, vader Abraham, als iemand van de doden naar hen toe komt, dan zullen zij zich bekeren.” Maar Abraham antwoordde: “Als ze niet naar Mozes en de Profeten luisteren, dan zullen ze zich ook niet laten overtuigen als iemand uit de doden opstaat.” 

Archief preken