Kies uw kerk

Preek van de week

2017-03-19. Je diepste dorst

Preek 3de zondag in de veertigdagentijd 2017, A

 

Eerste lezing: Exodus 17, 3-7

Evangelie: Johannes 4, 5-42

Water is van vitaal belang. Dat kan iedereen onderschrijven. Op een hete dag naar de duinen gaan of het strand en dan vergeten drinken mee te nemen, is ons allen wel eens overkomen. Wat kun je dan als mens dorsten naar water. Bij de eerste slok besef je het weer: niets kostbaarder dan water.

Het Joodse volk heeft dorst, ze loopt al jaren door de woestijn en steeds is het maar de vraag of er voldoende water is en of ze het op tijd kunnen vinden. Vaak moet het volk diep graven en diep afdalen om het verfrissende zuivere water te kunnen vinden.

Jezus gaat op het heetst van de dag naar een bron. Erg onverstandig, te meer daar Hij ook niets bij zich heeft om water uit de put te halen. Immers, in de tijd van Jezus nam iedereen zijn eigen emmer mee naar de bron en weer gevuld mee naar huis. Jezus heeft dorst, maar dan in een dubbel betekenis.

Er komt een vrouw op het heetst van de dag bij de put. Dat is niet verstandig, want je kunt uitdrogen. Ze zal goede redenen hebben om niet in de koelte van de ochtend of de namiddag te gaan. Wij als luisteraars horen waarom zij komt op dit vreemde moment. Door haar leven en misschien wel opgelegde levenskeuzes, al dan niet uit vrije wil genomen, mag ze geen deel meer uitmaken van haar dorp. Ze staat er alleen voor. Ook deze vrouw heeft dorst met een dubbel betekenis.

Johannes 4, 5-42

Johannes 4, 5-42

Waar dorsten wij kerkgangers vandaag naar, wat is onze diepste wens die we graag vervuld willen zien?
In de relatie tussen Jezus en de vrouw zien we gaande het verhaal een diepe verbondenheid groeien. Een verbondenheid die begint bij een oppervlakkige vraag naar water, die uitmondt in de diep menselijke vraag om het lessen van de dorst van de ziel en het diep menselijk verlangen.
Steeds verlangen wij mensen naar verlossing. Bevrijd worden van banden die knellen, van gebeurtenissen die een echt diepe relatie in de weg staat.

Jezus veranderd in de ontmoeting met de vrouw van degene die dorst heeft, naar degene die de levensdorst kan lessen. En de vrouw, ook zij groeit. Van degene die de dorst kan lessen, tot degene die niet anders wil dan het ontvangen van het water dat haar doet leven.

Je diepste dorst is het verlangen om thuis te mogen zijn bij jezelf en zo leven voor Jezus.

 

Amen

Afbeelding: De Samaritaanse vrouw

        Door: Duccio di Buoninsegna (ca. 1255 – 1319)

Afmetingen: 43 × 46 cm

Techniek: tempera op paneel

Datum: 1310 - 1311

Te bezichtigen in: Museum Thyssen-Bornemisza, Madrid

Dit kleine panel was onderdeel van de predella van de Maestà, een bestelling uitgevoerd door Duccio voor de Dom in Siena. Dit monumentale dubbelzijdige altaarstuk werd ontmanteld rond 1771, en hoewel de meeste van de panelen nu in het bezit zijn van Museo dell'Opera del Duomo (Siena), werden sommigen overgenomen door particuliere collecties en musea. Een daarvan wordt hier getoond. Het is Christus die gezeten is op Jacob's put die wordt benaderd door de Samaritaanse vrouw met een kruik op haar hoofd, en ze zijn in gesprek. Aan de rechterkant, worden ze bekeken door een groep leerlingen, welke geplaatst zijn in een architectonische omgeving van de Samaritaanse stad Sichar, in een poging om een ruimtelijke diepte te creëren in het schilderij.

Exodus 17, 3-7

        De verwijten van het volk
Maar de mensen leden daar hevige dorst; zij bleven tegen Mozes morren en zeiden: ‘Waarom hebt u ons weggevoerd uit Egypte als we toch met kinderen en vee van de dorst moeten sterven?’ Mozes klaagde zijn nood bij de heer: ‘Wat moet ik toch doen met dit volk? Ze staan op het punt mij te stenigen.’ De heer antwoordde Mozes: ‘Ga met enkelen van Israëls oudsten voor het volk uit, neem de staf in uw hand, waarmee u de Nijl geslagen hebt, en ga op weg. Ik zal ginds, voor uw ogen, op een rots staan, op de Horeb. Sla op die rots: er zal water uit stromen zodat de mensen kunnen drinken.’ Mozes deed dat in het bijzijn van Israëls oudsten. Hij noemde de plaats Massa en Meriba vanwege de verwijten van de Israëlieten en omdat zij de heer hadden uitgedaagd door zich af te vragen: ‘Is de heer nu bij ons of niet?’

Johannes 4, 5-42

        Jezus en een Samaritaanse vrouw
Zo kwam Hij bij de Samaritaanse stad Sichar, die in de buurt ligt van het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven, en waar zich de Jakobsbron bevindt. Jezus, die afgemat was van de tocht, was bij de bron gaan zitten. Het was ongeveer het zesde uur. Een Samaritaanse vrouw kwam water putten. Jezus sprak haar aan: ‘Geef Mij wat te drinken.’ Zijn leerlingen waren eten gaan kopen in de stad. De Samaritaanse vrouw antwoordde: ‘Hoe kunt U als Jood te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?’ Joden willen namelijk met Samaritanen niets te maken hebben. Jezus hernam: ‘Als u de gave van God kende, als u wist wie het is die tegen u zegt: geef Mij te drinken, dan had u Hem erom gevraagd en Hij had u levend water gegeven.’ ‘Maar heer,’ zei de vrouw, ‘U hebt niet eens een emmer en het is een diepe put. Waar wilt U dat levende water dan vandaan halen? Of bent u soms groter dan onze vader Jakob, die ons de put heeft nagelaten en er zelf uit gedronken heeft, evenals zijn kinderen en zijn kudden?’ Jezus antwoordde: ‘Iedereen die drinkt van dit water, krijgt weer dorst, maar wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel: het water dat Ik hem zal geven, zal in hem opborrelen als een bron van eeuwig leven.’ ‘Heer,’ zei de vrouw, ‘geef mij van dat water, dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik hier niet telkens te komen putten.’ Daarop zei Jezus: ‘Ga uw man roepen en kom hier terug.’ ‘Ik heb geen man’, antwoordde de vrouw. ‘Dat zegt u terecht, dat u geen man hebt,’ zei Jezus. ‘Want u hebt vijf mannen gehad, en die u nu hebt is uw man niet. Wat u daar zegt, is waar.’ ‘Heer,’ zei de vrouw, ‘ik zie dat U een profeet bent. Onze voorouders hebben op die berg daar God aanbeden, maar volgens jullie is Jeruzalem de plaats waar men moet aanbidden.’ ‘Geloof Me,’ zei Jezus, ‘er komt een uur dat men niet meer op die berg daar en ook niet in Jeruzalem de Vader zal aanbidden. – Jullie aanbidden wat je niet kent, wij aanbidden wat we wel kennen; de redding komt immers uit de Joden. – Er komt een uur, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid: dat zijn de aanbidders waar de Vader naar uitziet. God is geest, en zij die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.’ De vrouw antwoordde: ‘Ja, er komt een messias, dat weet ik.’ (Messias betekent: gezalfde.) ‘Als die er is, zal Hij ons alles verkondigen.’ Daarop zei Jezus tegen haar: ‘Dat ben Ik, degene die met u spreekt.’ Juist op dat moment kwamen zijn leerlingen terug. Het verwonderde hen dat Hij in gesprek was met een vrouw. Toch vroeg geen van hen: ‘Wat wilt U eigenlijk?’ of ‘Wat hebt U met haar te bepraten?’ De vrouw liet haar kruik staan, liep naar de stad en zei tegen de mensen: ‘Kom eens kijken, daar is iemand die mij wist te vertellen wat ik allemaal gedaan heb. Zou Hij soms de Messias zijn?’ Toen liepen ze de stad uit, naar Hem toe. Ondertussen drongen de leerlingen bij Hem aan: ‘Eet toch iets, rabbi.’ Maar Hij zei: ‘Ik heb al iets te eten, voedsel dat jullie niet kennen.’ De leerlingen zeiden onder elkaar: ‘Zou iemand Hem al eten gebracht hebben?’ Daarop zei Jezus: ‘Mijn voedsel is: de wil doen van Hem die Mij gezonden heeft en het werk volbrengen dat Hij Mij heeft opgedragen. Zeggen jullie niet: Nog vier maanden en dan komt de oogst? Welnu, Ik zeg jullie: kijk eens goed naar de velden, ze staan wit, rijp voor de oogst. Nu al krijgt de maaier zijn loon en verzamelt hij vruchten voor het eeuwig leven; zo kan de zaaier delen in de vreugde van de maaier. Want het gezegde ‘de een zaait en de ander maait’ is waar: Ik heb jullie uitgezonden om een oogst binnen te halen waarvoor je je niet hebt afgemat: anderen hebben zich afgemat en jullie plukken de vruchten van hun werk.’ Uit die stad waren vele Samaritanen in Hem gaan geloven op grond van het woord van de vrouw die getuigd had: ‘Hij wist me alles te vertellen wat ik gedaan heb.’ Toen de Samaritanen naar Hem toe gekomen waren, vroegen ze Hem bij hen te blijven. Hij bleef daar twee dagen. En nog veel meer kwamen er tot geloof door zijn woord. En ze zeiden het ook tegen de vrouw: ‘Nu geloven we niet meer op grond van wat jij verteld hebt; we hebben Hem zelf gehoord en nu weten we: dit is werkelijk de redder van de wereld.’

Archief preken