Kies uw kerk

Preek van de week

2017-04-02. Pasen vieren als herboren mens

Preek 5de zondag in de veertigdagentijd 2017, A

 

Eerste lezing: Ezechiël 37, 12-14

Evangelie: Johannes 11, 1-45


Op weg naar Pasen wordt ons vandaag voor de derde keer een verhaal uit het evangelie van Johannes voorgelezen. Na het verhaal van de vrouw bij de bron en het verhaal van de blindgeborene horen we vandaag hoe Lazarus uit de dood wordt opgewekt. Opvallend daarbij is dat een groot deel van het verhaal bestaat uit het gesprek tussen Jezus en Marta. Lazarus zelf komt niet aan het woord. Het gaat blijkbaar niet zozeer om de dode maar veel meer om degene die de dode tot leven wekt: het gaat om de persoon van Jezus. Hij roept mensen weg uit hun doods bestaan om als herboren mensen te leven.
Marta en Maria, zij zijn vandaag de leerlingen die worstelen met dat moeilijke gegeven dat Jezus zichzelf de verrijzenis en het leven noemt. Gaat het dan om leven na de dood? Of om een andere manier van leven nu?

Jezus is de toetssteen waaraan je waarachtig leven kunt afmeten. Bij hem kun je zien dat sterven juist leven kan betekenen en dat dit zelfs de enige weg is wanneer je als een herboren mens wilt leven.
In vroeger tijd werd de vastentijd wel een tijd van versterving genoemd. Sterven aan de zonden, sterven aan alles wat je afhoudt van waarachtig leven.

Het voorjaar is de tijd van snoeien. Dood hout bij bomen en struiken kan weg, maar ook wilde scheuten moeten verwijderd worden. Er is ook in ons leven het nodige dat weg mag.

De dood van Lazarus wordt in dit verhaal gebruikt als beeld, als teken. Het gaat Jezus uiteindelijk om het leven, om wie je bent geworden. En op weg naar Pasen wil de liturgie ons dat blijkbaar voor houden. Op weg naar Pasen worden wij voor de opdracht geplaatst om na te denken niet zozeer over de grillige facetten van de dood, maar veel meer over wat van blijvende waarde is. Wat is onze bijdrage aan Gods koninkrijk? Want dat kan zelfs de dood niet ongedaan maken.

Maar de liturgie van deze zondag maakt het een predikant nog extra moeilijk door in de eerste lezing de profeet Ezechiël aan het woord te laten. Hij spreekt over massagraven. En dan gaat het niet over de dood van mensen die ons lief zijn en ons ontvallen zijn. Hij heeft het veel meer over de harde dood, de zinloze vernietiging van naamloze mensen, die onze wereld continu teistert. Alsof hun leven geen waarde heeft.

Johannes 11, 1-45

Johannes 11, 1-45

De massagraven, waarover de profeet Ezechiël spreekt, liggen vrij evenwichtig over alle werelddelen verspreid. Ik las ergens dat het in de vorige eeuw in Europa om bijna honderd miljoen mensen gaat. Hun zinloze dood mogen we niet straffeloos opbergen in de vergeethoeken van ons geheugen en van de geschiedenis. Je hoort dat ook bij jongeren in de Arabische wereld die in opstand kwamen en komen tegen onderdrukking en armoede. Zij zetten hun leven op het spel, maar zij nemen dat risico omdat het anders geen leven is. En ook al is die Arabische lente letterlijk doodgebloed, ook daar zal hun bloed zaad zijn voor een nieuwe samenleving waarin hun dromen en idealen eens werkelijkheid worden.

Ik denk daarom dat ook de beeldspraak van Ezechiël heel goed aansluit bij het evangelie. Want al mag dan hun dood zinloos zijn geweest, hun leven was dat zeker niet in de ogen van God.

In de beide lezingen van vandaag gaat het er dus om dat het leven zoals Jezus voor ogen staat duidelijk sterker is dan de dood. Het gaat er om dat wij ons niet laten verlammen. Dat onze hoop en onze idealen overeind blijven.
Het gaat er om dat wij onze verantwoordelijkheid nemen voor het ware leven, dat wij Pasen vieren als herboren mensen om zo aan de dood het laatste woord te ontnemen.

Icoon: The Raising of Lazarus

        Door: onbekend

Afmetingen: 72 x 60cm

Datum: 15e eeuw

Te bezichtigen in: The Russian Museum, St. Petersburg, Rusland


Iconen die de opwekking van Lazarus afbeelden volgen heel getrouw het Johannes evangelie. De rotspartij op de icoon stelt de Olijfberg voor. Daarachter zien we de ommuurde stad Jeruzalem met zijn bouwwerken. Jezus spreekt, met het typische handgebaar, tegen Lazarus. Aan Jezus ’s voeten knielen de zussen van Lazarus: Marta en Maria. Hun handen zijn verborgen in de stof van hun mantel. Dit gebaar betekent dat die persoon aan het bidden is.
Lazarus rechtop staand in het rotsgraf. Voor hem dragen twee mannen de deksteen van zijn graf weg. Links van Lazarus bevrijdt iemand hem van de genoemde zwachtels. Wie het dichtst bij het graf is houdt een stuk stof voor de neus, want Lazarus ligt al een paar dagen in het graf en ruikt al.

Ezechiël 37, 12-14

        Het visioen van de beenderen
Profeteer daarom en zeg tegen hen: “Zo spreekt de Heer God: Ik ga uw graven openen; Ik wek u in grote aantallen uit de dood op en breng u naar Israëls grond. En als Ik uw graven open en u in grote aantallen uit de dood opwek dan zult u erkennen dat Ik de Heer ben. Ik schenk u mijn geest, zodat u weer leeft, en laat u op uw eigen grond wonen. Dan zult u erkennen dat Ik, de Heer, doe wat Ik zeg” – godsspraak van de Heer.’

Johannes 11, 1-45

        De dood van Lazarus
Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp van Maria en haar zuster, Marta. Maria is de vrouw die de Heer met balsem zalfde en zijn voeten met haar haren afdroogde; de zieke Lazarus was haar broer. De zusters stuurden Jezus de boodschap: ‘Heer, hier is iemand ziek, iemand van wie U houdt.’ Toen Jezus dit hoorde, zei Hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de verheerlijking van God, want de Zoon van God moet erdoor verheerlijkt worden.’ Jezus hield veel van Marta, van haar zuster en van Lazarus. Jezus hoorde dus van zijn ziekte; toch bleef Hij nog twee dagen waar Hij was. Daarna pas zei Hij tegen zijn leerlingen: ‘Kom, we gaan weer naar Judea.’ ‘Maar rabbi,’ zeiden de leerlingen, ‘onlangs nog probeerden de Joden U te stenigen, wilt U er nu alweer heen?’ Jezus antwoordde: ‘Een dag duurt toch twaalf uren? Zolang het dag is kan men zijn weg gaan zonder te struikelen, omdat men het licht van deze wereld ziet. Maar als men ’s nachts zijn weg gaat zal men struikelen, omdat men dan het licht moet missen.’ Na deze woorden deelde Hij hun mee: ‘Onze vriend Lazarus is ingeslapen, maar Ik ga erheen om hem wakker te maken.’ De leerlingen merkten op: ‘Als hij slaapt, Heer, dan komt hij er weer bovenop.’ Jezus had echter over zijn dood gesproken, terwijl zij dachten dat Hij de gewone slaap bedoelde. Daarom zei Jezus ronduit: ‘Lazarus is gestorven. Toch ben Ik blij voor jullie, met het oog op jullie geloof, dat Ik niet ter plaatse was. Maar kom, laten we er nu heen gaan.’ Toen zei Tomas, ook Didymus genaamd, tegen zijn medeleerlingen: ‘Laten wij ook maar gaan, dan kunnen we samen met Hem sterven.’

Jezus en Marta
Bij de aankomst van Jezus bleek Lazarus al vier dagen in het graf te liggen. Nu lag Betanië dichtbij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën (red. ong. 2,8 km). Heel wat Joden waren dan ook naar Marta en Maria toe gekomen om hun medeleven te betuigen met het verlies van hun broer. Marta, die gehoord had dat Jezus op komst was, was Hem tegemoet gegaan; Maria was thuisgebleven. Marta zei tegen Jezus: ‘Heer, als U hier geweest was, zou mijn broer nooit gestorven zijn. Maar ik weet zeker dat U ook nu nog alles aan God kunt vragen en dat Hij het U zal geven.’ ‘Je broer zal opstaan’, verzekerde Jezus haar. ‘Dat weet ik,’ zei Marta, ‘hij zal opstaan bij de opstanding op de laatste dag.’ ‘Ik ben de opstanding en het leven’, zei Jezus. ‘Wie in Mij gelooft mag dan wel sterven, toch zal hij leven; en iedereen die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven. Geloof je dat?’ ‘Ja Heer,’ antwoordde Marta, ‘ik geloof vast dat U de Messias bent, de Zoon van God, degene die in de wereld komen zou.’

Jezus en Maria
Na deze woorden ging ze haar zuster Maria roepen. ‘De meester is er’, fluisterde ze haar toe. ‘Hij laat je roepen.’ Zodra ze het hoorde, ging ze op weg, naar Hem toe. Jezus was namelijk nog niet in het dorp, maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had. De Joden die bij Maria in huis waren om hun medeleven te betuigen, zagen haar het huis uit snellen en gingen haar achterna, in de veronderstelling dat ze bij het graf wilde gaan treuren. Toen Maria de plaats bereikt had waar Jezus zich bevond, wierp ze zich, zodra ze Hem zag, voor Hem neer en zei: ‘Heer, als U hier geweest was, zou mijn broer nooit gestorven zijn.’ Toen Jezus zag hoe ze weeklaagde en hoe ook de Joden die haar vergezelden weeklaagden, ontstak Hij in toorn en wond zich op. ‘Waar hebt u hem neergelegd?’ vroeg Hij. ‘Komt u maar kijken, Heer’, zeiden ze. Jezus begon te huilen, zodat de Joden zeiden: ‘Hij moet wel veel van hem gehouden hebben!’ Maar sommigen merkten op: ‘Had Hij dan niet kunnen zorgen dat hij niet doodging? Hij heeft toch ook de ogen van de blinde geopend?’

Lazarus weer tot leven gewerkt
Opnieuw in toorn ontstoken, ging Jezus naar het graf. Het was een grot, die met een steen was afgesloten. ‘Neem die steen weg’, beval Hij. Marta, de zuster van de gestorvene, zei: ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’ Jezus antwoordde: ‘Heb Ik je niet gezegd dat je de heerlijkheid van God zult zien als je maar gelooft?’ Toen nam men de steen weg. Jezus sloeg de ogen op en bad: ‘Vader, Ik dank U dat U Mij aanhoord hebt. Voor Mij stond het vast dat U Mij altijd aanhoort, maar Ik spreek zo met het oog op al die mensen hier, opdat ze mogen geloven dat U Mij gezonden hebt.’ Na dit gebed riep Hij met luide stem: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ En de dode kwam naar buiten, zijn voeten en handen gebonden met zwachtels en zijn gezicht in een doek gewikkeld. ‘Maak hem los,’ beval Jezus, ‘en laat hem gaan.’
        Complot tegen Jezus
Van de Joden die naar Maria toe waren gegaan en gezien hadden wat Hij gedaan had, gingen velen in Hem geloven.

Archief preken