Kies uw kerk

Preek van de week

2019-03-06. Waar is je God ?

Preek As-Woensdag, C

 

Eerste lezing: Joël 2, 12-18

Evangelie: Matteüs 6, 1-6. 16-18

De profeet Joël klaagt: ‘Moet men onder de volken zeggen: Waar is hun God?' Het is Joëls bedoeling God te bezweren Gods volk te sparen, zodat de andere volkeren hen niet uit zouden lachen. Dit is de situatie waarin Jezus scheen te verkeren toen hij aan het kruis hing te sterven, terwijl zijn vijanden riepen: ‘Als jij de Messias bent, waar is dan je God nu?' En ze lachten hem uit.

Deze smeekbede van Joël is zo vaak herhaald door rechtvaardige en heilige mensen die voor de zaak en de persoon van Jezus vervolgd en mishandeld werden: ‘Mijn God, mijn God, waarom heb je mij verlaten?' Zeer vaak werden zij in concentratiekampen van de nazi's, in gevangenissen in Latijns-Amerika, en in Afrikaanse politiecellen bespot door hun vervolgers die hun toeriepen: ‘Laat je God je nu helpen!'

Zo vaak in de geschiedenis hebben niet-christenen, christenen terecht diezelfde vraag gesteld: ‘Hoe kunnen jullie de dingen doen die je deed en doet, als je in God en in Jezus, zijn geliefde Zoon, gelooft?' Enkele Indianengroepen uit Peru vroegen dit aan de paus, toen ze Johannes Paulus II een bijbel teruggaven bij een bezoek dat hij hun daar bracht. Ze vroegen de paus dat boek aan hun katholieke onderdrukkers terug te geven.
Heeft jou ooit iemand die vraag: ‘Waar is je God?' gesteld, als je iets voor hen deed, of niet deed...?
De veertigdagentijd begint met een ouverture in grote stijl. De thema's die in de komende periode te horen zullen zijn, worden hier al duidelijk aangegeven: aalmoezen geven, bidden en vasten. Het gaat over de drie grote terreinen waarop ons bestaan zich afspeelt: onze houding tegenover de andere mensen, tegenover God en tegenover onszelf. Het loont de moeite ze even van naderbij te bekijken.
Met aalmoezen geven wordt alles bedoeld wat een mens doet - en moet doen - voor andere mensen, vooral als die in nood zijn. Het omvat heel de sector van wat wij vandaag onze sociale inzet noemen. Het bidden slaat uiteraard op onze directe, persoonlijke omgang met God, zoals die gestalte krijgt in taal en gebaar. Het vasten heeft betrekking op de manier waarop we onze persoonlijke noden en behoeften bevredigen. Dat zijn de drie hoofdterreinen waarop wij ons bestaan, in vrijheid en verantwoordelijkheid, dienen uit te bouwen.

Matteus 6, 1-6. 16-18

Matteus 6, 1-6. 16-18

‘Waar is je God…?’ De komende veertigdagentijd is een uitnodiging om zo te geven aan onze naasten, om zo tot God te bidden, om zo zorgvuldig met onszelf om te gaan, dat niemand meer deze vraag hoeft te stellen. Omdat ze het antwoord zien en voortaan kunnen zeggen: ‘Daar is zijn God…!’

 

U allen een verdiepende veertigdagentijd gewenst.

Amen

Gravure in CHRISTOPHORUS (1654)

Gevonden op: www.beeldmeditaties.nl

Een gravure uit de 17e eeuw. Het is de kerkvader Sint Hiëronymus. Na enige tijd in Rome te hebben doorgebracht als secretaris van de toenmalige paus, trok hij zich terug in de woestijn rond Bethlehem in Palestina. Daar leidde hij het leven van een kluizenaar. Naast vasten en gebed legde hij zich toe op de studie van de Bijbel. Daarop wijst het boek dat we op de afbeelding achter hem zien liggen.

Als kluizenaar bracht hij in praktijk wat we vandaag Jezus horen zeggen. Zo had Jezus het zelf gedaan aan het begin van zijn openbaar leven. Hij had zich teruggetrokken in de woestijn en was het gevecht aangegaan tegen de verleidingen. Als Hiëronymus zich dus terugtrekt als kluizenaar, wil hij de rest van zijn leven stilstaan bij het geheim van die eerste veertig dagen van Jezus’ openbaar leven. We zien hem bijna naakt geknield voor een kruisbeeld. Met de rechterhand klopt hij zich op de borst, symbool van het bekennen van eigen fouten en tekorten. Daarbij ziet hij op naar Jezus aan het kruis, wetend dat hij van daar vergeving en liefde zal ontvangen.

Achter hem op het boek zien we een doodshoofd. Een vast symbool op afbeeldingen van kluizenaars en kluizenaressen. Vandaag ook voor ons heel toepasselijk. Want bij het ontvangen van het askruisje kunnen we te horen hebben gekregen: ‘Gedenk dat je stof bent, en tot stof zult wederkeren.’

Joël 2, 12-18

        Oproep tot bekering
Maar ook nu nog – Godspraak van de Heer: 'Keer u om naar Mij met heel uw hart, vastend, wenend en rouwend.’ Scheur uw hart en niet uw kleren, keer u om tot de Heer uw God, want genadig is Hij en genadig, barmhartig, toegevend en vol liefde, en Hij heeft spijt over het onheil. Wie weet, zal Hij omkeren en krijgt Hij spijt, en laat dan zegen achter zich,  een huldigingsoffer en een plengoffer voor de Heer, uw God! Blaas de bazuin op Sion, kondig een heilige vastentijd af, roep een plechtige bijeenkomst bijeen. Verzamelt het volk, beleg een heilige bijeenkomst, brengt de oudsten samen en verzamelt ook de kinderen en de zuigelingen; laat de bruidegom zijn kamer verlaten en de bruid haar bruidsvertrek. Laat tussen de voorhal en het altaar de priesters, die de dienst van de Heer verrichten, wenen en zeggen: Spaar uw volk, Heer, laat niet met uw erfdeel spotten, laat de heidenen het niet overheersen. Waarom zouden we onder de volken zeggen: Waar blijft hun God? Toen is de Heer voor zijn land opgekomen en heeft Hij zijn volk gespaard.

Matteüs 6, 1-6. 16-18

        De Vader ziet in het verborgene
Pas op dat jullie je gerechtigheid niet beoefenen voor de ogen van de mensen, om door hen gezien te worden. Anders wacht je geen loon bij jullie Vader in de hemel. Dus wanneer je barmhartig bent, loop er dan niet mee te koop, zoals de schijnheiligen dat doen in de synagogen en op straat, om door de mensen geprezen te worden. Ik verzeker jullie, zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als je barmhartig bent, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet. Opdat je barmhartigheid in het verborgene gebeurt, en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je belonen. En wanneer je bidt, wees dan niet als de schijnheiligen, zij staan graag in de synagogen en op de straathoek te bidden, om op te vallen bij de mensen. Ik verzeker jullie, ze hebben hun loon al ontvangen. Maar als je bidt, ga dan je binnenkamer in, doe de deur dicht, en bid tot je Vader, die in het verborgene is; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je belonen.
Wanneer je vast, zet dan geen somber gezicht als de schijnheiligen, want zij vertrekken hun gezicht om met hun vasten op te vallen bij de mensen. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als jij vast, zalf dan je hoofd en was je gezicht, opdat het bij de mensen niet opvalt dat je vast, maar wel bij je Vader, die in het verborgene is; En je Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen.

Archief preken